rockster

Als acteur kwam Mick Jagger nooit echt uit de verf: het blijft Mick Jagger – maar hij kán het wel, acteren

Mick Jagger als louche kunsthandelaar in The Burnt Orange Heresy. Beeld
Mick Jagger als louche kunsthandelaar in The Burnt Orange Heresy.

Ooit nam de Stones-zanger zich voor ook filmacteur te worden. Maar na zijn weergaloze filmdebuut in Performance (1970) liep dat altijd weer mis.

Het deed de ronde, in sommige filmkringen: Mick Jagger (77) zocht een rol om zijn acteercarrière mee af te sluiten. Dus stuurde regisseur Giuseppe Capotondi het script van zijn thriller The Burnt Orange Heresy voor de zekerheid naar het Londense kantoor van de Rolling Stone. Voelde de zanger iets voor een bijrol als de schatrijke kunstverzamelaar Joseph Cassidy?

En Jagger zei zowaar toe, twintig jaar na zijn laatste serieuze filmrol; we rekenen zijn flitsoptreden als bankbediende in The Bank Job (2008) even niet mee.

Capotondi beaamde in een zaalgesprek op het festival van Toronto, waar The Burnt Orange Heresy in première ging, wat regisseurs die hem voorgingen eveneens ervoeren: áls je Mick Jagger weet te strikken, krijg je geen rockster op de set. Geen ego, geen wangedrag. Gewoon een vriendelijke acteur die geduldig zijn best doet. Jagger is wel veeleisend, maar dat is vooraf. Zo liet hij de sterfscène van zijn personage in The Man From Elysian Fields uit het script kieperen (‘te deprimerend’), voor hij begon aan zijn aardige en gevoelige rol van geknakte gigolobaas in dit verder helaas futloze en vergeten drama uit 2001. Ook achteraf is Jagger vaak kritisch. ‘Ga er maar niet naartoe’, adviseerde hij in 1970 bij de release van Ned Kelly, waarin de iele zanger met onvast Iers accent en algehele onhandigheid met paard en pistool gestalte gaf aan de historische Australische outlaw.

Mick Jagger in Ned Kelly, 1970.  Beeld Getty Images
Mick Jagger in Ned Kelly, 1970.Beeld Getty Images

De zanger moet meteen vol aan de bak, in de eerste scène van The Burnt Orange Heresy, die deze week zijn onlinepremière beleeft in Nederland. Knauwend op een lange, ietwat gekunstelde monoloog, tracht Jagger een criticus in te palmen. Om dit hoofdpersonage uit de film (acteur Claes Bang) vervolgens een slinkse opdracht mee te geven: hij dient een nieuw werk te ontfutselen aan de schuwe meesterschilder Jerome Debney (Donald Sutherland).

Jagger gedijt wel in zijn Mefistofeles-achtige rol, doortrapt flemend als die louche Joseph Cassidy. Het pezige lichaam gehuld in een goed pak, de haren achterover gekamd, wat zijn hagedisachtig gelooide trekken nog beter doet uitkomen.

En als ervaren Jagger-kijker, betrap je jezelf op de gedachte die ook al opkwam bij de eerdere zesenhalf speelfilms uit zijn acteurs-cv (over die halve film zo meer). Het blijft Mick Jagger – maar hij kán het wel, acteren.

‘Jagger vormt een tragisch gat in de filmgeschiedenis’, merkte Werner Herzog ooit op, in gesprek met Playboy. ‘Hij is onvoldoende geprezen als iemand die een groot acteur had kúnnen zijn.’

De Duitse filmmaker regisseerde Jagger begin jaren tachtig op de set van zijn door allerlei tegenslagen (ziekten, vliegtuigongelukken, een aanval van indianen) getroffen meesterwerk Fitzcarraldo. Herzog moest zeker een derde van zijn in de jungle van Brazilië en Peru gefilmde epos overdoen, nadat hoofdrolspeler Jason Robards difterie had opgelopen en was afgevallen. En daarna haakte de Stones-zanger ook af, vanwege een al geboekte tournee. Daarop schrapte Herzog Jaggers rol uit het script: dan maar geen onnozele knecht voor het hoofdpersonage, de uiteindelijk door acteur Klaus Kinski manisch bezielde rubberbaron, die een gigantische boot over een berg wil laten tillen.

‘De grootste teleurstelling uit mijn carrière’, zei Herzog over het vertrek van Jagger. Flarden van het ongebruikte filmmateriaal met Jagger zijn te zien in de klassieke documentaire over de geteisterde opnamen, Burden of Dreams. Fraai. Maar te weinig om te bepalen of dit de rol was waarmee Jagger zich naast David Bowie zou hebben geschaard, zijn bevriende en bewonderde generatiegenoot die het zingen en acteren zoveel makkelijker combineerde dan Jagger.

‘Mick is geen natuurlijk filmvoer’, sneerde Keith Richards een paar jaar geleden, gevraagd naar de acteerambities van zijn medebandlid. ‘Maar wat hij doet in zijn vrije tijd moet hij zelf weten.’

De Stones-gitarist, die nooit blijk gaf van belangstelling voor het acteervak, inspireerde desondanks Johnny Depp in de rol van piraat Jack Sparrow. Als je dronken een hoek omloopt, zei Richards ooit tegen de acteur, moet je altijd je rug naar de muur toe draaien. Dit loopje zit in Pirates of The Caribbean, evenals Richards zelf, die in de latere delen van de succesreeks opdook als piratenvader. Dat is de ironie: die andere Stone, die nooit aankondigde dat hij zich serieus op het acteren wilde richten, is door veel meer bioscoopbezoekers gezien.

‘Als popzanger behoorde je één heel slechte film te maken’, verklaarde Jagger in 2002 in een interview met talkshowhost Charlie Rose, toen die hem vroeg wat hem ooit had bewogen te gaan acteren. ‘Dus ik dacht: dat doe ik ook.’

Het lukte, of mislukte: de zanger debuteerde voortreffelijk in de zinsbegoochelende cultfilm Performance, waarin een masculiene Britse gangster (James Fox) onderduikt in het souterrain van een genderfluïde rockgod (Jagger), waarna het tweetal langzaam van gedaante verwisselt. De beginnende regisseurs Donald Cammell en Nicolas Roeg kregen de vrije hand van de Amerikaanse Warner-studio, die het seksueel bevrijde eindresultaat vol afgrijzen aanzag en diep in een kast borg. Performance was al twee jaar klaar voor de grote tegencultuurhit Easy Rider in 1969 het oude Hollywood openbrak, maar werd pas later uitgebracht.

Jaggers filmdebuut was ook goed voor een eerste verwijdering tussen hem en Richards: dat Keiths vriendin Anita Pallenberg meespeelde en in de film het bed deelde met Jagger (en de jonge Franse actrice Michèle Breton), beviel de gitarist niet zo. Ongecensureerde opnamen van die volgens betrokkenen nauwelijks geacteerde vrijscène werden precies één keer vertoond: in 1970 op het erotische Wet Dreams-festival in Amsterdam, waar de producent van Performance te gast was. (Een bij de vertoning aanwezige verslaggever van Vrij Nederland noteerde dat Jaggers zichtbare geslacht een applausje oogstte.)

Jagger had de pech dat het later opgenomen echec Ned Kelly eerst in de bioscopen verscheen. Daarmee was zijn reputatie als serieus acteur al besmeurd, nog voor zijn (nog altijd beste) optreden in Performance te zien was. Alhoewel de zanger voorafgaand aan de opnamen van de Australische film aankondigde dat hij voortaan één filmrol per jaar wilde aangaan, als bijbaan naast de Stones-verplichtingen, zou hij een goede twintig jaar (ook door de pech van Fitzcarraldo) uit de bioscoop verdwijnen.

Jaggers agent sprak nog wel in op Nicolas Roeg: die móést de Stones-zanger kiezen voor The Man Who Fell to Earth, maar de regisseur achtte de bijna doorschijnend bleke David Bowie geschikter voor de hoofdrol als op aarde gestrand buitenaards wezen. Het werd de eerste grote, veelgeprezen filmrol van de popmuzikant. Ook een andere, mogelijk beslissende sciencefictionrol uit de jaren zeventig ging op het laatst niet door. Jagger zou de kwade Feyd-Rautha vertolken in de niet van de grond gekomen, maar desondanks legendarische poging van cultregisseur Alejandro Jodorowsky om Frank Herberts sf-klassieker Dune te verfilmen. De rol die later werd ingevuld door Sting, in de filmversie van David Lynch.

In 1992 hapte Jagger ineens snel toe (mogelijk te snel, suggereerde hij later) toen hij werd gevraagd als bad guy in de ongenadig geflopte sciencefiction-thriller Freejack. Uit de Volkskrant-recensie: ‘In het hele verhaal valt werkelijk geen originele vondst of wending te ontdekken.’

Jagger herwon iets van zijn acteerkrediet met de schaarse na zijn 50ste aangenomen rollen. Zijn spel was nooit het zwakste onderdeel van de films. Hij kwam aardig uit de verf in de bijrol als travestiet en nachtclubeigenaar in Bent (1997), de intrigerende doch onevenwichtige verfilming van Martin Shermans toneelstuk over de vervolging van homoseksuelen in nazi-Duitsland. Jagger manifesteerde zich ook als film- en televisieproducent (met onder andere Enigma en Vinyl), maar blonk nog altijd niet uit in het verwerven van veelbelovende rollen voor zichzelf.

Toen Jeroen Krabbé The Discovery of Heaven regisseerde, leek het hem leuk als Jagger de aartsengel Gabriël zou spelen, als kleine bijrol of cameo. Producent Ate de Jong had het contact, want hij was ook een producent van Enigma, het door Jaggers filmmaatschappij Jagged Films gerealiseerde oorlogsdrama dat profiteerde van de toenmalige Nederlandse fiscusregeling. Jaggers compagnon liet De Jong weten: ‘Hij doet het alleen als hij het leuk vindt en dat kun je niet voorspellen. En áls hij het doet, is hij duur.’

Mick Jagger in Freejack (1992). Beeld
Mick Jagger in Freejack (1992).

Het antwoord volgde vlot: nee, geen tijd. Waarop Krabbé zelf in de huid van de engel kroop.

‘Ik had ook gewoon andere dingen te doen’, verdedigde Jagger zich tegenover een journalist van dagblad USA Today, die hem bij de Amerikaanse release van The Burnt Orange Heresy vroeg naar de hiaten in zijn filmcarrière. ‘Ik had best meer willen acteren, maar het is ook een gek wereldje. Je krijgt een hoop rotzooi aangeboden, waar je misschien ja op zou zeggen als acteren je enige vak is.’

Of de louche kunstverzamelaar echt zijn finale filmrol zal blijken, is ongewis. Jagger hield de deur nog iets open, in de Amerikaanse pers: misschien nog eentje dan. ‘Áls ze me nog willen.’

Jaggers vreemdste rollen

Wie meent dat Rolling Stones-zangers überhaupt niet zouden moeten acteren, vindt afdoende munitie in Running out of Luck (1987), een nooit in de bioscoop uitgebrachte, maar nog wel in de krochten van internet terug te vinden avonturenfilm. In de vermakelijk slechte lowbudgetproductie wordt Mick Jagger (die Mick Jagger speelt) beroofd door als vrouw verklede mannen in Brazilië, waar hij een videoclip opneemt voor zijn nieuwe soloalbum (Dennis Hopper speelt de clipregisseur). Vervolgens wordt hij te werk gesteld op een plantage, waar een strenge Braziliaanse met zweep de boel runt.

Ook de moeite waard en vindbaar op internet: Jaggers transformatierol als Chinese keizer, voor een televisieaflevering van het kinderprogramma Faerie Tale Theatre uit 1983. Hier zien we de zanger met lange puntsnor, gele schmink en haarknot, converserend met een nachtegaal.

Hoe goed Mick Jagger Mick Jagger kan spelen, bewees hij in 2014 in een superieur promotiefilmpje. Hij maakte het voor Monty Python, toen het Engelse comedygezelschap bijeenkwam voor een comebacktournee. In het filmpje vraagt Jagger zich vol zelfspot af waarom die ‘oude gerimpelde mannen’ nog zo nodig op tournee moeten. ‘Om hun jeugd te herbeleven? Een berg geld te verdienen? Ik bedoel: het was fantastisch in de jaren zeventig. Maar hun beste lid is járen geleden al overleden.’

Meer over