'Al dat wandelen is een diepte-investering'

Topsport is een kwestie van veel én hard trainen; van leven onder permanente prestatiedruk. Dat vraagt in zowel lichamelijk, geestelijk als sociaal opzicht veel van de topsporter en zijn omgeving....

Biljarters die niet aan hun conditie schaven worden steeds zeldzamer. Zelfs Henk Habraken, de levensgenieter uit Sint Oedenrode, met wie het altijd heel gezellig pils drinken was aan de bar, traint sinds kort dat de stukken (en ponden) er van af vliegen. Hij trekt niet, zoals Dick Jaspers doet, baantjes in het zwembad en hij loopt evenmin hard. Je moet, vindt de 47-jarige rondborstige en tot voor kort rondbuikige driebander, ook weer niet overdrijven. Wat Habraken dan wel doet aan lichamelijke inspanning? Hij hijst zijn lijf elke week vijf dagen in een trainingspak en zet het vervolgens op een wandelen.

Niet gewoon wandelen, maar wandelen met gezwinde pas, per keer wel een kilometer of vijf. Hij is nog wel rondborstig, want zo is Henk Habraken nu eenmaal van nature, maar al lang niet meer rondbuikig. Hij verloor 25 kilogrammen aan overtollig vet en is, zo heeft hij uitgerekend, voor het eerst sinds 27 jaar beneden de 200 pond beland.

Mager en echt afgetraind is hij nog steeds niet, er moet tenslotte wat te wensen overblijven, maar feit is wel dat zijn vestje floddert en zwabbert om borst en buik en dat zijn postuur in 's lands biljartzalen niet langer contrasteert met de afgetrainde sportlijven van topcaramboleurs als Dick Jaspers, Torbjörn Blomdahl en Raimond Burgman.

Henk Habraken stond er sinds jaar en dag om bekend dat hij een pilsje, en soms ook wel een pilsje te veel, niet versmaadde. Met hem was het altijd feest aan de bar en feest was het dus ook die avond in 1996 in de thuiszaal van zijn club Minkels Products in Heeswijk-Dinther na de jammerlijk verloren Grand Prix-finale tegen Dick Jaspers.

'Ik bestelde na afloop aan de bar een Spa'tje en prompt kreeg ik de op zich niet zo heel onlogische opmerking naar mijn hoofd geslingerd of ik misschien ziek, zwak of misselijk was.' Het werd, of hij nou wilde of niet, dus weer gewoon bier, net als altijd.

Op een gegeven moment, diezelfde avond nog, had de levens- en biergenieter Habraken er ineens de buik van vol. 'Ik had er genoeg van, dat lijf begon me steeds meer in de weg te zitten en dus besloot ik dat het afgelopen moest zijn met bier drinken en vet eten. Ik had wel eens gehoord of gelezen dat wandelen een probaat middel was om af te vallen en dus ging ik wandelen, niet gewoon wandelen, maar snel wandelen, op zijn Amerikaans, joggen dus.'

Zijn sumo-achtige omvang heeft, zo weet hij zeker, zijn carrière als driebander geen goed gedaan. 'Ik was veel te zwaar en door dat overgewicht transpireerde ik meer dan normaal. En dat dat leidde weer tot concentratieverlies.'

Niet dat zijn spel en zijn concentratie er nu ineens sterk op vooruit zijn gegaan, het tegendeel is eerder waar. 'Mijn competitiestart was niet om over naar huis te schrijven en mijn moyenne is zelfs gezakt, van 1.250 naar 1.100, maar daar raak ik niet van in paniek. Dat trainen, al dat wandelen, is een diepte-investering. Op een geven moment zal ik er de vruchten van plukken, dat weet ik heel zeker.'

Een goede conditie en een afgetraind lichaam zijn belangrijk, maar niet het allerbelangrijkste voor een driebander, dat is iets wat Habraken ook zeker weet. 'De zonen van Raymond Ceulemans hebben ooit gezegd dat je biljarten leert door met je ogen te stelen. Dat is ontegenzeggelijk waar. Je leert ontzettend veel van kijken naar het spel van topbiljarters, naar hun houding, de snelheid van spelen, hun keuvoering.'

Daarom is Habraken er afgelopen zomer een week tussenuit geknepen om zijn grote vriend en niet minder grote leermeester Blomdahl te bezoeken in diens woonplaats Backnang, een plaatsje onder de rook van Stuttgart. 'We hebben alle dagen in die week partijtjes tegen elkaar gespeeld, niets dan partijtjes. Na elk partijtje kreeg ik van hem te horen welke fouten ik had gemaakt en hoe ik die fouten had kunnen vermijden. Daar heb ik ontzettend veel van geleerd.'

Habraken was door de jaren heen altijd een doe-het-zelver geweest. Hij leerde de geheimen van het spel kennen in het café van zijn ouders in een tijd dat biljarten, zeker in het zuiden van het land, een typisch kroegspel was. Als jongen van veertien toverde hij al een libremoyenne van twintig uit zijn keu. Hij werd zo goed dat hem op een kwaad moment verdere deelname aan de café-competitie in Sint Oedenrode werd ontzegd. 'De plaatselijke biljarters hadden liever niet dat ik nog meedeed. Ik was te goed geworden. Voor hen was er geen aardigheid meer aan.'

Voor Habraken zelf trouwens ook niet. Hij maakte af en toe nog wel een stootje, maar dan alleen voor de aardigheid en niet met de ambitie om nog eens in de voetsporen van, om maar eens iemand te noemen. Piet van de Pol te treden. Pas jaren later, in 1984, keerde hij bij zijn jeugdliefde terug. Hij werd lid van de KNBB en competitiespeler, eerst in Veldhoven, later bij Minkels in Heeswijk-Dinther.

'Eigenlijk ben ik te laat begonnen. Nogal wat spelers, onder wie Arie Weijenburg en Christ van der Smissen, hebben zes jaar lang op Papendal les gehad van Tony Schrauwen. Die scholing heb ik nooit genoten. Ik speelde puur op gevoel, op intuïtie, op wat ik in mijn kinderjaren in het café van mijn ouders van kroegspelers had geleerd.'

Habraken werd sinds 1984 een verdienstelijk speler, maar ook niet meer dan dat. Hij trainde wel, maar niet fanatiek en werd pas aan het denken gezet door de speaker bij een wereldbekertoernooi in Oosterhout, vele jaren geleden. 'Die man zei tijdens de officiële presentatie van de deelnemers dat Blomdahl een klasse apart was en dat hij de rest van de driebandenwereld verplichtte om zeven tot acht uur per dag te trainen. Zo niet, dan kon de rest het wel vergeten Blomdahl ooit nog te verslaan.'

Zeven of acht uur, dat is te veel gevraagd, dat haalt Habraken niet, maar hij traint sindsdien toch zeker wel vijf uur per dag, 's ochtends drie uur, in de middag twee uur en meestal werkt hij in de avonduren wel een of meer partijtjes af. Zoveel uur trainen, er zijn dagen dat Habraken er stevig van baalt en zich moet beheersen om de keu niet 'door het raam te gooien'.

Maar hij verbijt de pijn, omdat het moet van zijn vriendin die hem achter de vodden zit, omdat het moet van hemzelf en omdat hij 'nu eenmaal de ambitie heeft om me ooit nog eens te meten met de echte toppers als Blomdahl en Jaspers.'

Hoe serieus Habraken aan zijn toekomst werkt, moge ook al blijken uit het feit dat zijn vriendin in de week voor het wereldbekertoernooi in Oosterhout alleen de hort op is gegaan, naar de wijnfeesten in het Duitse Moezelstad Cochem. Habraken had dolgraag meegewild, want hij weet uit ervaring hoe gezellig die feesten kunnen zijn, maar hij weet ook hoe gemakkelijk het daarginds uit de hand lopen kan. En dus heeft er toch maar vanaf gezien.

Dit is de vierde aflevering uit een serie over topsport en training.

Meer over