Interview

Al bijna een jaar wacht Anne tot de politie tijd heeft voor haar verkrachtingszaak. En ze is niet de enige

null Beeld Alexandra España
Beeld Alexandra España

Word je verkracht en doe je daarvan aangifte? Dan is de kans groot dat je maanden, of soms zelfs langer dan een jaar, moet wachten voordat de politie start met het onderzoek – wegens capaciteitsgebrek. En tot die tijd is het advies om zo min mogelijk over de verkrachting te praten. ‘Niemand begrijpt hoe eenzaam het is.’

Signal-bericht, 5 maart 2020

‘We kunnen niet te veel bespreken wat er die avond precies is gebeurd, omdat dat de aangifte kan beïnvloeden.’

‘Hij kwam vanaf de bar naar mij toe gelopen. In zijn hand een biertje. Alleen voor mij, en niet voor mijn vriendinnen. Tot dat moment zijn mijn herinneringen van het feest helder, maar daarna wordt het snel wazig.

‘Ik weet nog dat ik met hem heb gedanst, en dat ik opeens mijn vriendinnen kwijt was. Ik kon op mijn benen staan. Maar denken, dat lukte niet meer.

‘Toen heeft hij me meegenomen naar zijn kamer en werd het zwart. Ik herinner me slechts flarden. Alsof ik even wakker werd en daarna weer in slaap viel.

‘Ik weet dat ik mijn hakken uittrok. Dat ik op bed lag, zonder kleren. Dat ik het niet fijn vond. Dat ik iets wilde zeggen, maar dat ik het niet kon.

‘Het moet zo’n twee uur later zijn geweest toen ik écht wakker werd. Ik was in de war, bang. Snel kleedde ik me aan. Eén hak kon ik niet vinden. Ik wilde de schoen zoeken, maar wilde hem ook niet wekken. Bang dat hij dan meer van me wilde. Dus al snel dacht ik: fuck it, ik ga gewoon weg.

‘Ik liep naar de hotelkamer waar mijn vier vriendinnen sliepen. Twee waren er nog wakker. Snel trok ik mijn jurk uit. Mijn pyjama aan. Ik ging naar de wc. In mijn onderbroek zat bloed. Een vriendin vroeg: is alles oké? Ik barstte in huilen uit.

‘Ik was in de war, in paniek. Ik kon niet plaatsen wat er in die twee uur was gebeurd. Het was een naar gevoel: ik wist dat er iets was gebeurd, maar niet wat.

‘De volgende dag stapte ik in de trein. Ik had mijn ouders gebeld en gezegd: ik kom thuis. ‘Wat is er?’, vroeg mijn moeder. Dat vertel ik liever als ik thuis ben, antwoordde ik. Toen kreeg zij al een vermoeden.

‘Thuis vertelde ik het verhaal. Papa zei: wat probeer je nu eigenlijk te zeggen? Dat wist ik ook nog niet zo goed. Het zou maanden duren voordat ik dát woord kon uitspreken.

‘Eerst twijfelden we nog: had ik misschien toch te veel gedronken en was het gewoon geen fijne seks geweest? Maar ik begreep het niet: ik weet dat ik best iets kan drinken en dan nog steeds alles onder controle heb. Bovendien: ik was die avond niet dronken, ik wist precies hoeveel ik had gehad. Hoe kon het dan dat ik niks meer wist? En mijn vriendinnen kwijtraakte?

‘Die middag vond ik ook blauwe plekken in mijn liezen. Hierdoor, in combinatie met het geheugenverlies en het bloed in mijn onderbroek, begon het te dagen. Beetje bij beetje begon ik me te realiseren: hij moet me gedrogeerd hebben. Met dat ene biertje.

‘Die avond belden we Slachtofferhulp. Het was 10 uur. Ze vroegen of ik meteen naar het ziekenhuis wilde komen, maar ik was moe en de eventuele ghb – hadden we gelezen – was al niet meer te traceren in mijn bloed en urine. Achteraf twijfelde ik wel: had ik niet toch moeten gaan?

‘De volgende ochtend vroeg de gynaecoloog: wil je aangifte doen? Ze was een schatje, maar waarschuwde wel dat het forensisch lichamelijk onderzoek niet fijn is en dat aangifte een vervelend traject is. Ik antwoordde: ik weet het niet. Ik kende de toenmalige cijfers: het grootste deel van de slachtoffers doet uiteindelijk geen aangifte en bijna 60 procent van de verkrachtingsaangiften wordt uiteindelijk geseponeerd. Die cijfers waren kort daarvoor tijdens een college psychologie voorbijgekomen.

‘Mijn moeder zei: laat je alsjeblieft nu wel forensisch onderzoeken en praat met de politie voor een informatief gesprek. Dan kun je later alsnog besluiten of je de aangifte wilt doorzetten. Ik was nog in shock. Als ze dat niet had gezegd, had ik die eerste hobbel waarschijnlijk al niet genomen. Een uurtje later kwamen er twee zedenrechercheurs. Ze waren heel aardig. Ik zei: ik kan het toch niet bewijzen. Zij zeiden: het feit dat jij hier zit, is al bewijs.

‘Twee dagen later besloot ik definitief om de aangifte door te zetten. Ik wil niet dat de dader nooit te weten komt wat hij heeft aangericht. Hij mag er niet mee wegkomen. Maar nu, bijna een jaar later, is er nog niets met mijn aangifte gebeurd. De politie heeft de verdachte nog niet gehoord en met geen enkele getuige gesproken.’

Op de plank

Dit is het verhaal van Anne. Ze is een student van begin 20. Vorig jaar werd ze verkracht. Ze deed aangifte en wacht nog altijd op het moment dat de politie haar zaak gaat onderzoeken. Eigenlijk, is het advies, moet ze tot die tijd zo min mogelijk over de bewuste nacht praten, om te voorkomen dat de verdachte en getuigen worden beïnvloed. Toch doet ze haar verhaal samen met haar moeder. ‘Het kan toch niet dat dat we dit in Nederland normaal vinden? De verkrachting van mijn dochter ligt al bijna een jaar op de plank’, zegt haar moeder Marjolein.

Annes verhaal staat niet op zichzelf. Slachtofferhulp Nederland bevestigt het beeld dat zij schetst. Uit opgevraagde politiegegevens blijkt dat het op dit moment, als gevolg van onderbezetting, in 798 gevallen langer dan een half jaar duurt voordat het onderzoek is afgerond.

‘Dat is voor slachtoffers onverteerbaar’, zegt Ruth Jager, die niet bij deze zaak betrokken is, maar als advocaat veel zedenslachtoffers bijstaat. ‘Meestal komen zulke verhalen niet naar buiten, omdat het voor slachtoffers zo ongelooflijk moeilijk is erover te praten. Ik heb meerdere zaken die al langer dan een jaar op de plank liggen. Sterker nog, ik verwacht dat Annes zaak nog lang niet aan de beurt is.’

De afspraak is dat de naam van Anne en die van haar moeder worden gefingeerd en dat details zoals woonplaatsen worden weggelaten. Een enkel detail is gewijzigd, om herkenbaarheid te voorkomen. Want Anne heeft nog altijd de hoop dat de politie haar zaak zal onderzoeken en ze wil het toekomstige rechercheonderzoek niet in gevaar brengen. Om de ontwikkelingen en emoties van afgelopen maanden gedetailleerd terug te halen, gebruikt Anne haar telefoon. Ze heeft een appgroep op Signal met haar ouders, waarin ze hen stap voor stap op de hoogte houdt van het aangifteproces en van hoe het met haar gaat, als een soort dagboek.

Signal-bericht, 19 maart 2020

‘Nope, ik ben nog niet teruggebeld door de politie. Ik ga morgenochtend weer bellen. Echt irritant. Hoe moeilijk is het.’

‘Op vrijdag belde ik zelf maar weer met de politie. Ik vertelde wat er was gebeurd en dat ik graag een afspraak wilde maken om definitief aangifte te doen. Ik had al eerder gebeld, maar was ondanks beloften nog niet teruggebeld.

‘De vrouw aan de telefoon antwoordde dat alles stillag vanwege corona, ze wist niet wanneer het zou kunnen. Ik zei dat ik begreep dat het nu moeilijk is, maar dat het toch niet zo kon zijn dat ik mijn verhaal niet kon vertellen. Ik móést het kwijt.

‘Bovendien wilde ik naar een psycholoog. Dat kan alleen pas nadat je aangifte hebt gedaan, anders beïnvloedt de therapie misschien je herinnering. Toen antwoordde de vrouw: ‘Denk je dat ik er blij van word om thuis te werken?’ Het voelde alsof ik zeikte over mijn verkrachting, terwijl we midden in een pandemie zaten.

‘Overstuur belde ik mijn ouders. Vervolgens zijn zij ook gaan bellen. Mijn vader regelde een advocaat en ontdekte dat aangiften voor moord, doodslag en verkrachting ondanks corona wél moesten doorgaan. Mijn moeder nam contact op met de politie. Maar de conclusie was toch: voorlopig gaat er niks gebeuren.

‘Drie weken later kon ik uiteindelijk aangifte doen. Via Zoom vertelde ik de politie stap voor stap wat er die nacht was gebeurd. Ik gaf hun de naam en het adres van de dader – ik ken hem uit het studentenleven. En alle gegevens van getuigen, van mensen die ons op het feest hebben gezien.

‘Normaal zou je je verklaring meteen moeten ondertekenen, maar dat kon niet op afstand. Het idee was dat ik mijn aangifte later zou ondertekenen, dat ik gebeld zou worden voor een afspraak. Maar zelfs dat is nog niet gebeurd.’

null Beeld Alexandra España
Beeld Alexandra España

Te veel zaken

Vorig jaar kreeg de politie 4.719 meldingen van mensen die zeggen dat ze het slachtoffer zijn van een zedenmisdrijf. Uiteindelijk besloot 56 procent na een eerste informatief gesprek de aangifte door te zetten. En dat is meer dan de politie aankan.

‘Landelijk zijn er 3.346 zedenzaken in behandeling’, zegt Lidewijde van Lier, zedenspecialist van de politie. Alleen: met de huidige bezetting kan de politie zo’n 2.700 tot 2.800 zedenzaken aan. ‘We zien dat sinds eind 2017 de werkvoorraad toeneemt en niet meer behapbaar is. Vroeger had je soms een piek en dan was het weer even rustig. Nu is het constant hard werken.’ Mede daarom riep de politie hulp in van rechercheurs van de Koninklijke Marechaussee en van politievrijwilligers. ‘Maar desondanks hebben we permanent honderden onderzoeken meer dan we aankunnen.’

Voornaamste reden: het opsporingsonderzoek is complexer geworden. ‘Vroeger verhoorde je een verdachte, sprak je met het slachtoffer en de eventuele getuigen. En dat was het. Nu zijn er camerabeelden die je moet uitkijken, telefoons die je moet uitlezen. Daar kunnen rechercheurs dagen mee bezig zijn. Daarnaast kampen we met een hoog ziekteverzuim en zijn er relatief veel ervaren rechercheurs met pensioen gegaan. Het duurt even voordat we nieuwe mensen hebben opgeleid.’

En dus moeten er keuzes worden gemaakt. In principe worden zaken op chronologische volgorde behandeld. Alleen als er sprake is van bijvoorbeeld een acuut recidivegevaar of een heterdaadsituatie, wordt er meteen ingegrepen.

De bedoeling is dat er in 80 procent van de zaken binnen een half jaar een afgerond onderzoeksdossier ligt, zodat het Openbaar Ministerie een vervolgingsbesluit kan nemen. Maar in bijna de helft van de zaken (48 procent) redde de politie de zichopgelegde doorlooptijd in 2020 niet. En dat, benadrukt Van Lier, vindt de politie ook niet ‘normaal’. ‘De lange doorlooptijden zijn niet goed voor onze zedenrechercheurs die dit aan slachtoffers moeten uitleggen, maar zéker niet voor slachtoffers zelf. Daarom pakken we het ook aan.’

Advocaat Jager merkt daarvan nog weinig in de praktijk. Ze maakte afgelopen jaar meerdere keren mee dat de politie haar cliënten een mail stuurde met de boodschap dat hun zaak ‘een plankzaak’ was geworden, oftewel: dat het nog een tijd zou duren voordat het onderzoek van start zou gaan.

Als voorbeeld pakt Jager er een mail bij die een van haar cliënten afgelopen december ontving van de politie Midden-Nederland. Haar cliënt had in 2019 aangifte gedaan, opa zou tijdens het oppassen hun 4-jarige dochter hebben misbruikt. Het is een tragische zaak, die de hele familie verscheurt. Nadat de vader opnieuw had geïnformeerd hoe het met de aangifte ging, kreeg hij eind 2020 het volgende bericht van een zedenrechercheur: ‘Ik heb net even in de politiesystemen zitten kijken en ik moet helaas vertellen dat er nog steeds niet aan jullie zaak gewerkt wordt. De realiteit is dat er kort geleden zaken uit 2018 in behandeling werden genomen. De situatie is nog steeds zo dat we meer bezig zijn met het aannemen van nieuwe zaken dan dat we zaken kunnen afhandelen die er al liggen.’

En dat terwijl de politie in 2019 juist 15 miljoen euro extra kreeg om de achterstanden weg te werken. Aanleiding voor het extra geld was berichtgeving van Nieuwsuur in augustus van dat jaar, waaruit bleek dat honderden zedenaangiften maanden en soms zelfs een jaar moesten wachten op onderzoek. Nu, ruim anderhalf jaar later, is dat aantal onveranderd. Al benadrukt een woordvoerder van Slachtofferhulp Nederland dat hun organisatie wel ziet dat de politie ‘hard werkt om dit te verbeteren’.

Van het geld is de politie extra personeel aan het werven. De eerste wervingsronde heeft plaatsgevonden. ‘We verwachten dat we hiervan op zijn vroegst eind 2021 de eerste effecten gaan zien’, zegt Van Lier. Alleen, voegt ze daaraan toe, door het opleiden en begeleiden van nieuw personeel zal de werkdruk voor de zedenrecherche in eerste instantie verder toenemen.

En dat is zo pijnlijk, constateert Jager: ‘De zedenrechercheurs zijn echt wel betrokken, ze werken al heel hard. Hun frustratie druipt er ook van af.’

Signal-bericht, 11 juni 2020

‘Ik heb de politie gebeld, mijn aangifte ligt op de bekende stapel. De rechercheur gaat er een aantekening bij zetten dat mijn leven op pauze staat. Ik hoop dat de zaak dan sneller wordt opgepakt. Maar hij had geen duidelijk antwoord op de vraag hoelang het kan duren. Er zijn gewoon heel veel zaken, en niet genoeg mensen.’

‘In het begin voelde ik vooral angst, boosheid en verdriet. Ik kon niet over straat zonder constant om me heen te kijken, bang dat ik hem zou tegenkomen. Als ik op de fiets zat, scande ik constant de omgeving. Die gevoelens waren de hele dag aanwezig. Voortdurend speelde door mijn hoofd wat er die nacht in maart was gebeurd en wat ik allemaal niet wist. Ik was een zombie, ik sliep niet goed, ik at niet goed, ik was erg moe. Ik voelde me gewoon kut.

‘Maar over een eventueel strafproces was ik nog optimistisch. Ik had me verder ingelezen in wat er in zulke zaken gebeurt, hoe groot de kans op een veroordeling is. Ik las dat als je aantoonbare lichamelijke schade hebt en goede getuigen, er een redelijke kans is.

‘Ik had ook gelezen dat het best een tijdje kan duren bij de politie voordat het onderzoek begint, ik zag zelfs een verhaal over iemand die daar acht maanden op had gewacht. Ik dacht: dat is lang, maar ik kan het hebben. Mijn leven staat on hold door het wachten op het politieonderzoek en het vervolgingsbesluit van het Openbaar Ministerie. Maar acht maanden, dacht ik, dat houd ik wel vol.

‘Tot de zomer was ik bovendien vooral bezig met het verwerken van de verkrachting zelf. In de zomer ging het zelfs redelijk goed. Ik heb EMDR-sessies gehad en gesprekken met mijn psycholoog. Bovendien bracht ik het grootste deel van de tijd door in de woonplaats van mijn ouders.

‘Mijn advocaat had gezegd dat ze zou proberen met de politie af te spreken dat de verdachte vóór 1 september zou worden gehoord. Twee keer heeft ze de politie een herinnering gestuurd, maar er gebeurde niets.

‘Eind september ging ik weer achteruit. Ik begon me steeds unheimischer te voelen. Ik ben van mezelf geen boos persoon. Maar ik had zoveel boosheid in me. Zoveel irritatie. Het kropte zich op. Ik werd prikkelbaar en chagrijnig. Als het slecht gaat, krijg ik bovendien buikpijn. Enorm stekende buikpijn.

‘Tijdens een werkgroep op 5 oktober hield ik het niet meer vol. Ik appte mijn ouders: ‘Ik moet terug naar de psycholoog.’ Het enige wat op zo’n moment helpt tegen de buikpijn, is om met mijn ouders te praten. Ik belde ze en sprak toen voor het eerst uit dat ik gefrustreerd was.

‘Achteraf bezien was dat een kantelpunt. In het begin was ik vooral bezig geweest met het verwerken van die nacht. Inmiddels moest ik constateren dat het hele proces eromheen – het wachten op de politie – mij net zoveel schade had toegebracht als de verkrachting.

‘In de weken erna belde mijn moeder opnieuw met de politie. We waren al acht maanden aan het wachten. Eerder had een rechercheur haar al gezegd dat ze kampten met achterstanden, en dat ze chronologisch door de zaken heen gingen. Ze hadden uitgelegd dat het niet aan corona lag, maar dat ze ‘gewoon maanden achterliepen, en er een hele stapel op de plank ligt’.

‘Ditmaal zeiden ze dat ze op dat moment bezig waren met zaken van december het jaar ervoor. Mijn moeder zei nog dat ze het verschrikkelijk vond voor de agenten dat ze in die omstandigheden hun werk moesten doen.

‘Kort daarvoor had minister Grapperhaus aangekondigd dat seks zonder instemming strafbaar wordt. Hij was een nieuwe wet aan het voorbereiden waardoor het makkelijker wordt om aangifte te doen van seks tegen je wil. Mijn moeder vroeg aan de politie: wat betekent het voor jullie als die wet erdoor komt? ‘Dat de stapel nog hoger wordt, mevrouw’, was het antwoord.

‘Mijn moeder zei bovendien dat het idee dat de verdachte nog altijd van niets wist, voor haar heel bezwaarlijk was. Hij zou meer slachtoffers kunnen maken door vrouwen te drogeren. De rechercheur antwoordde: ‘Mevrouw, dat is uw zorg niet. Daar kunnen we helemaal niets aan doen.’ Maar dat is toch juist wél de zorg van de politie? Ze kunnen hem toch op zijn minst verhoren, zodat hij zich betrapt voelt?’

null Beeld Alexandra España
Beeld Alexandra España

Slecht voor de verwerking

Begin november kondigde inmiddels demissionair minister Grapperhaus (Justitie en Veiligheid) aan dat hij alle vormen van onvrijwillige seks strafbaar wil stellen. Naar verwachting is het wetsvoorstel dit voorjaar klaar voor consultatie. Dan kunnen betrokken organisaties zich uitspreken, onder meer over de betekenis van de plannen voor het aantal aangiften en de werkdruk bij de politie. Ook wordt er volgens een woordvoerder dan al een begin gemaakt met de voorbereidingen. ‘Zodat de organisaties die te maken krijgen met meer aangiften er klaar voor zijn als de wet in werking treedt.’ Hoe groot die impact is, wordt nog geïnventariseerd, zegt zedenspecialist Van Lier. ‘Maar duidelijk is: het extra werk kunnen we er niet zomaar even bij doen.’

Ook advocaat Jager maakt zich zorgen over de gevolgen van Grapperhaus’ plannen op de doorlooptijden. ‘We wonen in een rechtsstaat en iedereen verwacht van de overheid dat als je aangifte doet van zo’n ernstig feit, de overheid overgaat tot actie.’ Gebeurt dat niet, dan kan dat leiden tot ‘secundaire victimisatie’, oftewel: door het gevoel niet serieus genomen te worden, voelt de aangever zich opnieuw slachtoffer. ‘Je bent al slachtoffer geworden, en dan verlies je ook nog eens de regie over het proces dat erna komt. Dat is ongelooflijk slecht voor de verwerking’, voegt een woordvoerder van Slachtofferhulp Nederland toe.

In het ergste geval, vervolgt Jager, ‘kunnen slachtoffers die het gevoel hebben dat niemand opkomt voor hun rechten, het recht in eigen hand gaan nemen.’

Zo stond Jager een man bij wiens 13-jarige dochter een 17-jarig vriendje had. Zijn dochter was in de ban van haar vriend. De vader vertrouwde het niet en ontdekte dat de jongen in werkelijkheid 29 was. Hij wist bovendien dat de twee seks hadden. ‘De moeder van het meisje had de man gebeld en hij bevestigde dat hij seks had met hun dochter. De ouders hadden dit telefoongesprek opgenomen. Er lag dus al een bekennende verklaring.’

De vader belde direct de politie, want een volwassene mag geen seks hebben met een 13-jarige, zegt Jager. ‘Hij had verwacht dat de politie met gillende sirenes zou komen aanrijden, maar het antwoord was: u kunt over drie weken langskomen om aangifte te doen. Mijn cliënt snapte dat niet, hij vond dat het misbruik nú moest stoppen. Zijn dochter werd door haar vriend gemanipuleerd en stond niet meer open voor wat haar vader te zeggen had. Toen heeft de vader zelf een afspraak gemaakt met de verdachte. Dat liep volstrekt uit de hand.’ Haar cliënt werd aangehouden wegens geweld. ‘Bij zijn arrestatie zei mijn cliënt nog: dan wil ik ook meteen zelf aangifte doen tegen de misbruiker van mijn dochter. Maar dat kon dan weer niet.’

Het lange wachten heeft nog een gevolg, zegt Jager: de kans op een succesvolle vervolging neemt af. In zedenzaken is er vrijwel altijd sprake van situaties met maar twee mensen: één dader en één slachtoffer. Zij leggen vaak tegenstrijdige verklaringen af. Soms zijn er ook getuigen. Jager: ‘Als de politie na een jaar nog moet beginnen met het horen van verdachte en getuigen, bestaat er een reële kans dat het nooit meer wat wordt. Vaak komt het in die zaken aan op details: wie waren er op het feestje, met wie sprak het slachtoffer, wat dronk het slachtoffer, wie zei wat? Slachtoffers herinneren zich alles veelal precies, maar getuigen kunnen zich die details na zo’n lange tijd vaak niet meer voor de geest halen.’

Zedenspecialist Van Lier herkent dit probleem. ‘We proberen de impact van de lange doorlooptijden zo veel mogelijk te verkleinen’, benadrukt ze. ‘Ook bij zaken waarbij we niet meteen een onderzoek starten, proberen we wel meteen de belangrijkste informatie veilig te stellen. Dat kan bijvoorbeeld door al wel met een belangrijke getuige te praten, zoals degene aan wie het slachtoffer als eerste haar verhaal deed.’ Al is dat in de zaak van Anne niet gebeurd.

Signal-bericht, 29 januari 2021

‘Ik kwam net tot de conclusie dat het bijna een jaar geleden is dat de coronacrisis begon. Dat betekent dat ik ook al bijna een jaar hierin zit. En dat er nog steeds niks is gebeurd.’

‘Was het slim om aangifte te doen? Vanaf het begin heb ik gedacht: ik hou zo de regie. Ik neem de beslissingen. Dat voelde goed.

‘Maar dat gevoel is inmiddels uit mijn handen gerukt. Ik ben de controle kwijt en zit ‘in de wachtkamer’. Het is wachten, wachten, wachten. En wie weet voor hoelang. Na het politieonderzoek zal het Openbaar Ministerie beslissen of er vervolgd gaat worden. Zo ja, dan is het wachten op een zitting bij de rechtbank. Wie weet duurt het al met al nog wel twee jaar.

‘Niemand begrijpt hoe eenzaam ik me hierdoor voel. Iedereen doet zijn best en is lief. Maar niemand maakt het mee.

‘Daarnaast is het lastig om erover te praten. Mijn advocaat heeft geadviseerd om de zaak zo min mogelijk met vriendinnen te bespreken, zij zijn de getuigen en mogen niet worden beïnvloed. Bovendien merk ik de laatste maanden dat steeds minder mensen me vragen hoe het gaat. Alsof ze het vergeten zijn. Daardoor voel ik me nog meer alleen.

‘De buitenwereld ziet mij als een meisje dat veel lacht. Maar écht blij, zo voel ik me nooit meer. Er is altijd die ondertoon. Onlangs vroeg ik vrienden waarom ze nooit meer naar mijn aangifte vroegen. Ze zeiden dat ze me niet uit mijn ‘blijheid’ wilden halen. Ik antwoordde dat ik liever heb dat ze het wel vragen. Ik sta hiermee op en ga ermee naar bed. De kans dat ik er toch al aan denk op het moment dat iemand iets vraagt, is groot.

‘En dan heb ik nog geluk. Ik heb veel vriendinnen, een lieve vriend en ouders met wie ik alles kan bespreken. We zijn bovendien mondige mensen die de politie blijven bellen. Moet je voorstellen hoe eenzaam een verkrachtingsslachtoffer zich moet voelen dat dat allemaal niet heeft.

‘Nee, ik heb geen spijt van mijn aangifte. Het blijft belangrijk en ik had het gevoel dat ik iets terugdeed. In het begin hielp dat enorm. Bovendien hoop ik nog altijd op gerechtigheid.

‘Maar ik vind wel dat ik nu van me moet laten horen. Dit interview voelt voor mij ook als een aangifte. Tegen het systeem. Iedereen moet weten dat dít blijkbaar normaal is in Nederland. Zo gaat het dus als je aangifte doet van verkrachting.’

Meer over