Afval en iconen

In Servië lopen de grenzen van het Romeinse en Byzantijnse rijk dooreen. Wil Thijssen fietst door kloven en over bergpaden langs kerken en kloosters....

Wil Thijssen

Pater Georgi drinkt zelfgestookte rakija uit een wodkafles. Zijn neus is rood, zijn fles bijna leeg, zijn stemming opperbest. Eigenlijk mag je niet fotograferen in de kerk, zegt hij. Maar als we met hem proosten, strijkt hij over zijn grijze baard en gaat hij ons voor, de kerk in, waar hij de mooiste en kostbaarste fresco’s aanwijst. En daar, op die notenhouten sokkel, ligt een van de oudste boeken uit Servië, Blagovetenje Gospel, uit 1372. ‘Natuurlijk, natuurlijk’, gebaart hij. ‘Maak maar een foto.’

Pater Georgi is abt van het oosters-orthodoxe klooster Blagovetenje, dat in 1602 op de berg Kablar in midden-Servië is gebouwd. Het is een van de twaalf kloosters in de kloof tussen de bergen Kablar en Ovcar, waardoorheen het 20 kilometer lange meer Medjuvrje meandert.

We fietsen er over bergwegen, langs de wanden van de steile kloof, van klooster naar klooster zonder iemand tegen te komen.

‘Het is hier veel te rustig voor de tijd van het jaar’, zegt directeur Rade Milovanovic van wellnesscenter Kablar aan de overzijde van het meer. Uit de geluidsboxen schalt Surfin’ USA van de Beach Boys, op de bar staan tequila’s en rum-cola’s, de zwembaden zijn gebouwd rondom de natuurlijke warmwaterbronnen die de streek rijk is, maar er zwemt slechts een handjevol mensen.

Vroeger trok het wellnesscentrum Nederlanders, Duitsers, Fransen en Italianen. Maar sinds de oorlog (1996-1999) tegen de opstandige provincie Kosovo en de nasleep onder toezicht van een NAVO-vredesmacht, komen er voornamelijk Serviërs, zegt de directeur. Zijn klantenbestand is met zeker 40 procent gedaald. ‘Buitenlanders zijn bang, ze denken dat alle Serviërs slecht zijn. Dat moet slijten en dat kost tijd. Dit land kampt met een imagoprobleem.’

Sinds het uiteenvallen van Joegoslavië en – in 2006 – de afscheiding van Montenegro, is Servië een zelfstandige staat zonder kustlijn. Het strandtoerisme is weggevallen; wie ernaartoe gaat, doet dat vanwege het landschap, de bevolking of de cultuur.

De fietsroute voert langs middeleeuwse kloosters die zowel romaanse als Byzantijnse elementen bevatten, en heet om die reden de Transromanica-route – Servië ligt van oudsher op het kruispunt van het Romeinse en het Byzantijnse rijk. De schilderingen uit die tijd zijn voornamelijk Byzantijns, de architectuur bevat veel romaanse bogen, ramen, deuren en ornamenten. De Transromanica-route loopt van Kraljevo in Servië tot Decani in Kosovo, waar vorig jaar, na negen jaar VN-bestuur, een nieuwe grondwet van kracht werd.

Het begint zacht te regenen. De weg rond de berg Kablar slingert omhoog en wordt steeds steiler. Soms boort die zich in de rotswand met lange, donkere tunnels en moeten de fietslampen aan. Dikke druppels water vallen uit scheuren in de rotswand op het slechte wegdek. Onweer rolt door de bergen. Aan de andere kant van de tunnel schijnt de zon op het natte wegdek.

We bezoeken vier kloosters in de kloof, waaronder Jovanje, het enige vrouwenklooster, hoog boven de linkeroever waar het meer het breedst is. In het voorportaal van de kerk reikt de abdis schorten aan die we moeten omstrikken – voor vrouwen worden lange broeken onzedig geacht.

Daarna wenkt ze haar bezoek de kerk in, die in 1950 deels is afgebroken omdat toenmalig premier Tito er een waterkrachtcentrale wilde bouwen. De kerk is herbouwd in de originele, 16de-eeuwse orthodoxe stijl, met een iconenwand tussen het altaar en het middenschip, een intiem voorportaal met nissen waarin kaarsen branden en een grote houten klokkentoren naast de kerk. Er zijn slechts twee waardevolle iconen uit 1850 overgebleven, vertelt de abdis. En nee, gebaart ze, in het huis Gods mag je niet fotograferen.

De fietsroute naar de top van de Kablar eindigt in een dicht bos. Hoog op de rotsen zit een jonge, Servische gothic te mediteren. We delen blikken bier en kaymak, een zachte koeienkaas. Het uitzicht reikt kilometers ver en het is doodstil, op het suizen van de wind na.

De weg naar Ovcar Banja is zo’n 15, 16 kilometer bergafwaarts. Op camping Autocamp aan het meer laten nonnen hun schapen grazen. ‘Het probleem van dit land is niet de oorlog’, zegt zuster Thérèse. ‘Het zijn niet de Albanezen, niet de Kroaten, niet de Kosovaren. Ons probleem is de dump van afval. We kunnen met iedereen rond de tafel zitten en alle problemen oplossen, maar je krijgt de Serviërs niet aan hun verstand gepeuterd dat ze rommel gewoon in de vuilnisbak moeten gooien.’

In het Medjuvrje-meer drijven colablikken en bierflessen, in de bomen wapperen plastic zakjes, in alle bermen rond de camping liggen lege verpakkingen van karton. ‘Verschrikkelijk toch?’, zegt de kloosterzuster streng. ‘Het ziet er niet uit en het stinkt.’

Na een overnachting aan het meer voert de trein voor 100 dinar (ongeveer een euro) naar Kraljevo, een klein stadje in de elleboog van de rivier Zapadna Morava, waaruit de Ibar ontspringt. Op het centrale plein vlakbij de Ibar, het St. Sabaplein, is zojuist de tank weggesleept die de strijd van de partizanen tegen de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog memoreert. Hij wordt vervangen door een beeld van St. Saba. ‘De nieuwe regering vindt zo’n tank sinds de Kosovo-oorlog ongepast’, zegt Dragana Kasapinov, die assistent for receptive tourism op haar naambordje heeft staan. Van 1997 tot 1999 was ze directeur van het toerismebureau, maar die baan is door haar huidige baas gekocht, vertelt ze. Cynisch: ‘In dit land kun je functies kopen. Jullie noemen dat corruptie, hier heet dat gewoon ‘economie’.’

Kasapinov verhuurt fietsen waarmee we naar Zica rijden, waar de eerste staatskerk van Servië staat, uit 1207. Hij wordt de ‘zevendeurenkerk’ genoemd, naar de deuren die rijk werden versierd ter ere van de zeven Servische koningen die hier zijn gekroond. Tot voor kort zetelde de aartsbisschop hier, nu is het een rood geschilderd klooster waar zowel mannen als vrouwen wonen.

In het marmeren voorportaal zingen scholieren een St. Saba-hymne onder leiding van de monnik die er rondleidingen verzorgt. Er zijn meer toeristen, voornamelijk Serviërs. Ze kopen hangertjes en fresco-replica’s bij de non in het winkeltje op het binnenplein.

De doorgangsweg van Zica naar Studenica is smal en bochtig, en er dendert veel zwaar vrachtverkeer. Omdat de fietsroute door de bergen wegens gebrek aan goede kaarten een gids vereist, gaan we per auto naar Studenica, zo’n 50 kilometer zuidelijker. Een deel van de route loopt over bergwegen waarlangs schapen grazen en boeren hun koeien weiden.

Het klooster ligt in een vallei en is zeker zo mooi als de rode staatskerk van Zica. Op het ommuurde terrein staat een Mariakerk uit 1183 met talloze goed bewaarde fresco’s die het lijden en sterven van Christus verbeelden, en een naastgelegen kapel die nog rijker is versierd. Om zes uur loopt een van de monniken rond de kerk terwijl hij met een hamer op een lang, houten schild slaat. Hij kondigt de vespers aan, hier befaamd vanwege het meerstemmige zingen van de monniken.

Kamer 19 op de eerste verdieping van het gastenverblijf is sober, met een bed, een kast, een tafel, stoel en wc. Op de tafel ligt een geplastificeerde kaart met huisregels, die melden dat vrouwen in dit klooster één nacht mogen blijven, en ‘mannen en gehuwde echtparen’ twee nachten welkom zijn. We dineren in de eetzaal bij de monniken, die nieuwsgierig informeren naar de andere kloosters langs de Transromanicaroute.

‘Kloosters zijn in principe geen toeristische attractie’, zegt Ivica Zivkovic van de hoge theologieschool in Prizren, die vannacht met zeventien studenten in het klooster logeert. Maar hij is blij dat Serviës cultureel erfgoed een reden kan zijn waarom buitenlanders het land bezoeken. Zoals al vaker deze reis, ontbrandt een discussie over het verleden en de toekomst van Servië, de omstreden zelfstandigheid van Kosovo en de schuldvraag van de oorlog.

‘Het is allemaal de schuld van Slobodan Miloevic,’ zegt een van de studenten stellig.

‘De NAVO accepteerde niet dat Servië geen NAVO-basis ter beschikking wilde stellen’, bijt een monnik hem toe.

‘Het Westen wachtte op een kans om het communisme te doen vallen’, zegt docent Zivkovic. Als het gesprek fel wordt, zijn alle ogen op de abt gericht. Die kijkt van zijn monniken naar de Kosovaarse gasten en maakt sussende gebaren met zijn handen, waarop het stil wordt.

‘Ne znam’, verzucht hij. ‘Ik weet het niet.’

Meer over