Wildgroei maakt strengere regels voor IQ-tests nodig

Het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP) gaat strengere regels opstellen voor intelligentie- en andere psychologische tests. Het NIP constateert een wildgroei, onder meer op het gebied van intelligentietests voor kinderen....

'Wij komen nogal wat ondeugdelijke tests tegen', zegt psycholoog A. Kooreman van het NIP. De grootste moeilijkheid zit in het bepalen van de scores, op basis waarvan bijvoorbeeld gezegd kan worden dat een kind hoogbegaafd is. Een psychologische test bestaat doorgaans uit betrekkelijk simpele vragen. 'Vaak voldoen tests niet aan de wetenschappelijke eisen, waardoor een betrouwbare interpretatie van de gegevens niet mogelijk is', zegt Kooreman.

Volgens de nieuwe standaard van het NIP, die waarschijnlijk volgende maand wordt goedgekeurd door de algemene ledenvergadering, mogen tests op kinderen slechts worden uitgevoerd door bevoegde psychologen of orthopedagogen met een speciale aantekening. Bovendien mogen adviezen over de schoolloopbaan niet louter zijn gebaseerd op een intelligentietest, aldus het NIP.

Psycholoog W. Peters van het Centrum voor Begaafdheidsonderzoek van de Katholieke Universiteit Nijmegen vindt de bestrijding van beunhazerij een goede zaak. 'Er zijn goeroes die tegen ouders zeggen dat hun kind hoogbegaafd is of dyslectisch of iets anders, zonder dat zij daarvoor enige bevoegdheid hebben ', zegt hij.

De beunhazen vullen een gat in de markt, aldus Peters. Veel sterker dan vroeger is het onderwijs gericht op zelfontplooiing van kinderen. Als een kind met tegenzin naar school gaat, willen de ouders actie ondernemen en het kind laten testen. Tegelijkertijd is er bezuinigd op schoolbegeleidingsdiensten en andere adviescentra, aldus Peters. 'Bij de officiële instanties komen ouders op de wachtlijst. Vaak vinden ze wel gehoor bij een particulier bureau dat hun probleem eindelijk erkent. Die bureaus worden door ouders vaak op handen gedragen', zegt Peters.

Hij bestrijdt dat veel ouders hun kinderen uit statusoverwegingen ten onrechte als hoogbegaafd afficheren. Hoogstens wordt 'hoogbegaafdheid' soms beschouwd als een aantrekkelijk label voor allerlei leer- en gedragsproblemen. De toegenomen aandacht voor hoogbegaafdheid heeft volgens hem veel meer te maken met veranderingen in het onderwijs. Peters: 'Vroeger was de school veel meer prestatiegericht. Daardoor werden hoogbegaafde kinderen beter bediend. Tegenwoordig ligt het accent erg op sociale vaardigheden, samenwerken, jezelf prettig voelen.'

Hij vindt de kritiek op ouders van sommige hoogbegaafde kinderen hypocriet. Hun wordt kwalijk genomen dat zij buiten de school om hun kind laten testen of zelfs naar de rechter stappen om hun kind een klas te laten overslaan. 'Sinds de jaren tachtig wordt alleen nog maar gepraat over marktwerking. Nu we eindelijk zover zijn dat ouders zich als kritische consumenten opstellen, wordt iedereen daar opeens heel bang voor', zegt Peters.

Toch is er ook in wetenschappelijke kring kritiek op het gemak waarmee sommigen het begrip hoogbegaafd gebruiken. Volgens min of meer harde criteria als een IQ van minimaal 130 is slechts 2 tot 3 procent van de kinderen hoogbegaafd. Bij het Centrum voor Begaafdheidsonderzoek worden echter veel ruimere criteria gehanteerd, waardoor 10 tot 15 procent van de leerlingen tot de hoogbegaafden wordt gerekend. Wordt het begrip hiermee niet al te zeer opgerekt?

Peters: 'Er zijn gewoon veel kinderen die zich op school vervelen. Sommigen komen daardoor in moeilijkheden, bijvoorbeeld omdat zij in conflict raken met een leerkracht. Wij zijn de mening toegedaan dat er ook voor de betere leerlingen onderwijs op maat moet komen.'

Meer over