Weer en boer onderhouden ammoniakgat

Boeren deden van alles om minder ammoniak uit te stoten, maar dat zette weinig zoden aan de dijk. Dat komt deels door het weer en deels door de boeren zelf, zo is nu gebleken....

HOE HET kwam, was een raadsel. Steeds meer boeren bouwen 'ammonniakarme' stallen, ze dekken mestsilo's af en spuiten de mest rechtstreeks de grond in. Toch verminderde de hoeveelheid ammoniak - afkomstig van mest - in de buitenlucht niet.

Volgens de berekeningen moest de ammoniakuitstoot tussen 1993 en 1997 met ruim 30 procent zijn gedaald. Maar volgens metingen op de acht stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit bleef de ammoniakconcentratie vrijwel gelijk. Hielden de boeren zich niet aan de wet, waren de berekeningen onnauwkeurig of werd de ammoniakreductie gemaskeerd door andere factoren?

In 2005 moeten de boeren hun ammoniakuitstoot hebben teruggebracht tot 70 miljoen kilo. Daar is agrarisch Nederland nog ver van verwijderd. In 1997 steeg nog 140 miljoen kilo ammoniak op vanaf de boerenerven. De boeren - die 80 miljard kilo mest per jaar produceren - zijn voor 90 procent verantwoordelijk voor het ammoniakprobleem.

Al in 1994 signaleerden onderzoekers een 'ammoniakgat' tussen de werkelijkheid van het landelijk meetnet en de berekende werkelijkheid. Dit gaf veel opschudding, onder meer in boerenkring. Zouden de investeringen in 'groenlabelstallen', mestinjecteurs, sleepvoetmachines en zodenbemesters weggegooid geld zijn geweest?

Het mysterie van het ammoniakgat is weliswaar niet opgelost, maar er is nu wel een gedeeltelijke verklaring, blijkt uit onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Alle betrokkenen zijn destijds te optimistisch geweest over de toepassing van schone technologie bij het uitrijden van mest. Ook het droge weer en de zwakke wind hebben bijgedragen aan de tegenvallende resultaten.

Volgens dr. Hans van Jaarsveld van het RIVM zijn de weersomstandigheden tussen 1995 en 1997 bevorderlijk geweest voor de ammoniakverdamping (hogere temperatuur) en nadelig voor de verspreiding door de lucht (minder wind) en verwijdering uit de lucht (weinig neerslag).

Ammoniak is met stikstof en zwavel verantwoordelijk voor de verzuring. De uitstoot van zwavel door de industrie is (tussen 1985 en 1995) gedaald van 83 miljoen naar 30 miljoen kilo. Maar dit milieusucces blijkt nadelig voor de ammoniakomzetting. Door lage zwaveldioxide-concentraties (SO2 ) wordt er minder ammoniak omgezet in ammonium en daardoor blijft de ammoniakconcentratie hoog.

Onder normale weersomstandigheden en zonder afname van de hoeveelheid SO2 zou de gemeten ammoniakconcentratie een kleine 15 procent lager zijn geweest. 'Het is dus mogelijk dat dit beeld verandert wanneer we natte perioden met veel wind krijgen', legt Van Jaarsveld uit. Geschat wordt dat ongeveer de helft van het ammoniakgat door de atmosferische omstandigheden kan worden verklaard.

Voor een ander deel wordt de oorzaak gelegd bij de boeren zelf. De mestinjecteur, die mest meteen zeven tot vijftien centimeter de grond in brengt, voorkomt dat ammoniak naar de lucht ontsnapt. Het is de beste techniek die voorhanden is om de ammoniakuitstoot te voorkomen. Bij de emissieberekeningen is verondersteld dat de laatste jaren 10 tot 15 procent van alle mest met mestinjecteurs wordt uitgereden, aldus RIVM-onderzoeker ir. Nico Hoogervorst.

Deze 15 procent was afgeleid uit de CBS-enquête uit 1995, waarin boeren konden aangeven hoe ze hun mest verwerkten. Dat reductiepercentage is veel te hoog gebleken, stellen onderzoekers. Boeren gebruiken de zware mestinjecteurs nauwelijks, omdat die veel te veel trekkracht nodig hebben en dus veel energie gebruiken. Bovendien beschadigen ze het grasland. De dure apparaten - een half miljoen gulden - waren dan ook niet populair onder boeren.

Na het debacle van de mestinjecteur werden varianten zoals sleepvoetmachines en zodenbemesters ontwikkeld. De eerste legt een spoor mest op de grond en de tweede legt de mest in sleufjes tussen het gras. Boeren zelf raakten ook steeds bedrevener en creatiever, en knutselden eigenhandig uitrijmachines in elkaar. De wildgroei aan apparatuur leidde ertoe dat de overheid het Instituut voor Milieu en Agritechniek (IMAG) opdracht gaf tot het ontwikkelen van een soort apk-keuring voor mestuitrijmachines.

Maar ook een goedgekeurd apparaat kan nog slecht worden gebruikt, schetst ir. Gert-Jan Monteny van het IMAG. 'Als de sleufjes niet diep genoeg zijn, of als er te veel mest in wordt gestort, stromen ze over. De ammoniakconcentratie blijft dan hoog.'

De geruchten dat boeren het niet zo nauw nemen met de uitrijregels - bedoeld of onbedoeld - worden regelmatig gehoord. 'Nu het mooi weer wordt, worden de loonwerkers die voor boeren de mest uitrijden, gek gemaakt. Zoveel werk is er te doen. Ze willen zo snel mogelijk zo veel mogelijk kuub kwijt', legt Monteny uit, die daarmee niet gezegd wil hebben dat boeren de zaken oplichten.

Op een proefveld, aldus Monteny, zijn de omstandigheden optimaal. Ze lopen niet in de pas met die op een grootschalig bedrijf waar een boer met minder secuur afgestelde apparatuur werkt. Meer meten op boerenerven is daarom het advies van Monteny.

Daarmee sluit hij aan bij de kritiek die RIVM-medwerker dr. ir. J. de Kwaadsteniet eind januari spuide; het rijksinstituut moet meer nagaan of modelberekeningen stroken met de werkelijkheid.

Volgens de IMAG-onderzoeker nemen de boeren geen genoegen meer met de huidige rekenwijze. 'Ze willen terugzien wat het effect van hun investeringen is. Door meer metingen in de omgeving van boerenbedrijven wordt het model beter getoetst en daardoor objectiever.'

Meer over