Wedgwood is al bijna een museum

De wereldberoemde aardewerkfabriek (sinds 1759) is gevestigd in het dorp Barlaston. De producten staan in servieskasten over de hele wereld, van Windsor Castle tot het Witte Huis in Washington. Maar bijna niemand wil nog 30 euro neertellen voor een soepbord.

Van onze correspondent Gert-Jan van Teeffelen

Een half uur ten noorden van Birmingham, bij de stad Stoke-on-Trent, verschijnen borden langs de snelweg M6. Ze kondigen The Potteries aan, de pottenbakkersstreek. Al eeuwen is de regio bekend om zijn keramiek. Eén bedrijf geniet het voorrecht van afzonderlijke vermelding op de wegwijzers: Wedgwood.

De wereldberoemde aardewerkfabriek (sinds 1759) is gevestigd in het dorp Barlaston. De producten staan in servieskasten over de hele wereld, van Windsor Castle tot het Witte Huis in Washington. De omgeving is even Engels als de firma zelf, met heggetjes en slingerende country lanes. Op het terrein is het echter verdacht rustig voor een fabriek met duizend werknemers.

De meeste arbeiders zitten thuis vanwege een verlengde kerstvakantie, door een gebrek aan orders. Steeds minder consumenten zijn geneigd 30 euro te betalen voor een soepbord of 140 euro voor een theepot, laat staan duizenden euro’s voor een compleet servies.

Intussen is het de vraag of de werknemers überhaupt zullen terugkeren. Wedgwood verkeert sinds maandag in surséance, evenals de Ierse kristalproducent Waterford, die het Engelse icoon in 1986 inlijfde. Al zes jaar maakt het bedrijf verlies. De schuld is opgelopen tot 450 miljoen euro.

De bewindvoerders zeiden woensdag dat met tien partijen wordt gesproken over een overname. Maar zelfs als ze een koper vinden, is het twijfelachtig of de fabriek in Barlaston ongemoeid zal blijven. Nu al wordt Wedgwood vooral gemaakt in Indonesië, waar vijftienhonderd medewerkers ‘Engels’ aardewerk produceren.

Voor een bedrijf dat zo diep in de schulden zit mag het opmerkelijk heten dat de fabriek onlangs een museum heeft geopend, waaraan twaalf miljoen euro is besteed. Vanwege de malaise voelen de dames bij de ingang zich in elk geval niet langer geroepen het entreegeld van 7 euro te innen. ‘U mag gratis naar binnen, eerst maar eens kijken hoe dit afloopt.’

Deze middag zijn er slechts acht bezoekers, van wie vier uit Japan. Zoals Hiroyuki Manabe (29) uit Tokio. Hij is met zijn vriendin in een huurauto helemaal uit Londen gekomen, een rit van drie uur, om de fabriek met eigen ogen te aanschouwen. ‘Wedgwood is heel bekend in Japan. Toen we hoorden dat ze bijna failliet zijn, schrokken we. Gelukkig is het museum nog open.’ Vervolgens hangt hij een schort om voor een demonstratie waarbij hij zijn eigen vaas mag draaien.

De medewerkers van Wedgwood zetten zich schrap voor hun ontslag. ‘Voor mij zou het niet zo erg zijn, ik ben 63’, zegt Lan Aubrey, die al veertig jaar in de fabriek werkt. ‘Maar de jongeren krijgen het lastig. Vroeger had je hier veel staal en kolen, maar nu is er weinig werk.’

Aubrey heeft de ondergang van Wedgwood jaren zien aankomen. ‘Mensen besteden hun geld liever aan andere dingen. En je kunt spotgoedkoop servies krijgen bij zaken als Ikea, allemaal spul uit China. Maar ik weet zeker dat niemand van ons wint in kwaliteit.’

Oprichter Josiah Wedgwood (grootvader van bioloog Charles Darwin) stond al bekend om zijn oog voor perfectie. Als hij in een werkplaats een product zag dat hem niet beviel, sloeg hij het kapot met zijn stok: ‘Dit is niet goed genoeg voor Josiah Wedgwood!’

Zijn nazaten hebben al lang niets meer te zeggen. De neergang treft vooral Anthony O’Reilly. De miljardair, ex-topman van ketchupmaker Heinz, is de meerderheidsaandeelhouder, die honderden miljoenen in rook kan zien opgaan.

Meer over