Verklaringen voor groei zonder inflatie hebben zwarte kanten

De Amerikaanse economie groeit in een tempo dat in tien jaar niet meer is vertoond. Dat was het goede nieuws van afgelopen dinsdag....

Van onze verslaggever

AMSTERDAM

De verklaringen voor de hoge groei in het eerste kwartaal klinken klassiek. Consumenten blijken vrijgevig te zijn geweest en ondernemers hebben op vrij grote schaal op voorraad geproduceerd. Die twee ontwikkelingen hebben ook nog een samenhang. Omdat de Amerikaanse consument de credit card al langer royaal gebruikt, vrezen ondernemers nee te moeten verkopen. Om dat te voorkomen worden voorraden aangelegd.

Voorraden die worden aangelegd moeten ooit ook weer worden afgebouwd. Zoals de aanleg een gunstige invloed heeft op de economie, zal de afbouw de toekomstige groeicijfers drukken. Dit vooruitzicht stemt beleggers vrolijk. De verwachting van een lagere groei maakt het risico van een aantrekkende inflatie kleiner. Hierdoor neemt de kans op een renteverhoging door de Fed, de Amerikaanse centrale bank, ook af.

Om die rente is het de beleggers nu al maanden te doen. Toen de Fed eind maart een kleine verhoging van haar tarieven aankondigde, riepen nagenoeg alle beleggers dapper dat met deze daad al rekening was gehouden. Iedereen had er immers al weken over gepraat. Toch zakten in de dagen na de renteverhoging de aandelenkoersen op Wall Street flink weg. Pas half april kwam de ommekeer en de fraaie groeicijfers hebben daar voorlopig geen einde aan kunnen maken.

Vandaag krijgt de beurs een nieuwe kans als de laatste werkgelegenheidscijfers worden bekend gemaakt. Het aantal werklozen in de VS ligt al laag en als de banengroei het hoge tempo blijft volhouden zal de vrees voor krapte op de arbeidsmarkt en daarmee voor inflatie en renteverhogingen weer worden aangewakkerd. Dan blijft het nog wachten op 20 mei, de dag dat de Fed weer bijeenkomt.

In de tussentijd kunnen naar nieuwe verklaringen worden gezocht voor de - voor Amerikaanse begrippen - lage inflatie die maar niet omhoog lijkt te willen, zelfs niet bij een snel groeiende economie en een fors uitdijenende banenmarkt.

Er zijn inmiddels wel een aantal theorieën voorhanden. De meest eenvoudige is de steeds duurdere dollar die importeren goedkoper maakt en zo de inflatie laag houdt. Omdat de VS relatief weinig importeren is dit een verklaring met beperkte betekenis. De echte oorzaken voor de lage inflatie moeten in de VS zelf worden gezocht.

Dat gebeurt ook wel, maar de vondsten lijken scherven die moeilijk aan elkaar te passen zijn. Een verklaring gaat uit van de arbeidsmarkt. Werd tot voor kort gedacht dat bij een werkloosheid die daalde tot 6 procent, de inflatie zo goed als automatisch omhoog zou gaan, nu blijken de prijzen bij een werkloosheid van 5 procent nog onbeweeglijk.

De kritische grens is blijkbaar verschoven, wordt dan geconstateerd, en de verklaring die hiervoor wordt gegeven heeft te maken met baanzekerheid. Amerikaanse arbeiders kunnen, eenvoudiger dan hun Europese kameraden, ontslagen worden en om aan dit noodlot te ontkomen zijn ze ruim bereid om van forse loonstijgingen af te zien.

Het is een theorie die ook door Fed-voorzitter Alan Greenspan wordt aangehangen. Maar Greenspans geloof begint aan kracht in te boeten. Werknemers zullen niet oneindig matigen in ruil voor grotere baanzekerheid, zei hij begin dit jaar, vlak voordat de Fed haar tarieven verhoogde.

Een tweede verklaring combineert de magische begrippen 'globalisering' en 'informatietechnologie' tot de theorie dat door de toenemende concurrentie en de groei van de high-tech sector bedrijven amper de mogelijkheid meer hebben om hun prijzen te verhogen.

In 'traditionele' economieën gaat hoge groei vaak gepaard met het vollopen van de productiecapaciteit waardoor prijzen omhoog gaan en de groei weer omlaag. In een high-tech economie gaat dat anders, schreef het Amerikaanse Business Week onlangs. 'Het schrijven van een computerprogramma of het ontwerpen van een nieuwe chip kost enorme bedragen. Maar de productiekosten van een chip of de verkoopkosten van de software zijn relatief laag.

Het resultaat is een heilzame spiraal: de toenemende vraag drukt de kosten waardoor het mogelijk is de prijzen te verlagen waardoor de vraag naar de producten verder wordt aangezwengeld.'

Het is een theorie die het bij beleggers met inflatie- en rentevrees goed moet doen. Maar beleggers die ook nog naar bedrijfswinsten kijken, kunnen er onrustig van worden. Meer concurrentie en prijsverlagingen hoeven niet altijd de resultaten van de bedrijven ten goede te komen. Slechtere winstvooruitzichten zijn niet echt een prikkel om aandelen te kopen.

Volgens sommige deskundigen is deze tijd al aangebroken. Dat is misschien nog niet af te lezen aan de klimmende Dow Jones of andere beursindexen waarin veel meer bedrijven zijn opgenomen. Maar het is bijvoorbeeld wel te zien aan het groeiende aantal beursgenoteerde bedrijven dat de aandeelhouders trakteert op winstdalingen en koersverliezen.

Welke 'moderne' verklaring voor de lage inflatie ook wordt gevolgd - die van de banenvrees, concurrentie of high tech - ze hebben allemaal ook zwarte kanten voor de bedrijfswinsten. Als de hogere rente de koersen niet omlaag krijgt kunnen de lagere winsten dat altijd nog doen.

Harko van den Hende

Meer over