Verbod op bankieren door overheid

Het kabinet gaat het bankieren van provincies en andere lagere overheden verbieden. Risicodragend beleggen mag niet meer. Ook wordt het verboden geld te lenen om dit vervolgens bij derden uit te zetten met het oogmerk winst te maken....

Minister Peper van Binnenlandse Zaken heeft dit verbod opgenomen in de Wet financiering lagere overheden 2000, die voor advies naar de Raad van State is gestuurd. Peper schrijft dit woensdag in een brief aan de Tweede Kamer waarin hij antwoord geeft op een groot aantal vragen over de zogenoemde Ceteco-affaire in de provincie Zuid-Holland.

Begin juli werd bekend dat Zuid-Holland 47,5 miljoen gulden heeft geleend aan het noodlijdende bedrijf Ceteco. Het is nog onduidelijk of de provincie dit geld ooit zal terugzien.

Kort na het uitlekken van de riskante lening aan Ceteco bleek dat Zuid-Holland in totaal 1,7 miljard gulden heeft geleend om dit vervolgens aan derden uit te lenen. De provincie hoopte met deze bankiersactiviteiten winst te maken. Peper schrijft in zijn brief aan de Tweede Kamer dat dit soort activiteiten tot nog toe niet expliciet waren verboden, omdat het tot nu toe vanzelfsprekend was dat de centrale overheden dit niet doen.

De wet die het bankieren en het risicodragend beleggen moet verbieden, stuurde de minister van Binnenlandse Zaken overigens voor advies naar de Raad van State toen de Ceteco-affaire net losbarstte. Daaruit blijkt dat de wet niet is gemaakt als gevolg van deze affaire. Aanleiding voor de wet zijn ondermeer de komst van de euro en andere ontwikkelingen in de geldwereld. Ook de Europese Commissie is geïnteresseerd in de affaire. Zij gaat na of met de 1,7 miljard gulden ongeoorloofde staatssteun is verstrekt.

Minister Peper laat zich in zijn brief niet expliciet uit over het optreden van Commissaris van de Koningin Leemhuis en het college van Gedeputeerde Staten (GS) van Zuid-Holland. Hij wil wachten met zijn oordeel totdat de door provincie ingestelde commissie-Van Dijk met haar rapport komt. Dat rapport wordt 1 oktober verwacht.

Commissaris van de Koningin Leemhuis was in 1995 als enige van het college van Gedeputeerde Staten tegen het bankieren toen het college daartoe besloot. Ze tekende daarna wel voor alle leningen.

Peper somt in zijn brief wets-teksten op om te laten zien dat een commissaris van de koningin formeel een besluit van GS voor vernietiging kan voordragen aan de minister als dat besluit indruist tegen het algemeen belang. Hij laat zich er niet over uit of daar in dit geval sprake van was.

De minister schrijft verder dat de commissaris door het zetten van haar handtekening geen bijzondere verantwoordelijkheid draagt voor de geldleningen. Die verantwoordelijkheid ligt bij het voltallige college van Gedeputeerde Staten.

Meer over