Varkenshouderij is economische vergissing

In de pleidooien voor een sanering van de varkenshouderij geven bedrijfseconomische argumenten de doorslag. H. Savenije verbaast zich erover dat de ruïneuze effecten op milieu en Derde Wereld nagenoeg buiten beschouwing blijven....

WAAROM is grootschalige veehouderij niet duurzaam? Waarom zijn we economisch beter af zonder grootschalige veehouderij? En wie betalen de rekening van ons niet-duurzaam gedrag? Dat zijn de vragen die in de hele varkensdiscussie nauwelijks worden gesteld, terwijl ze de essentie raken van de discussie die we in Nederland zouden moeten voeren.

Laat ik met het laatste beginnen. Wie zijn de verliezers in dit spel? Behalve ons milieu (en met name het grondwater), zijn dat onze nakomelingen en de arme landen. Ik zal dat illustreren met een eenvoudige nutriëntenbalans, maar dan niet op boerderijniveau, maar op nationaal niveau.

Een varken eet een aantal malen zijn gewicht op voor hij geslacht wordt. Een deel van het voedsel wordt op eigen bodem geproduceerd (snijmais). Het merendeel wordt ingevoerd uit de Derde Wereld. Daarmee importeren we dus nutriënten (i.e. voedingsmiddelen die niet door het lichaam kunnen worden aangemaakt) uit ontwikkelingslanden. Als we de hoeveelheid nutriënten in de uitgevoerde varkens buiten beschouwing laten, dan is ons mestoverschot gelijk aan het verlies aan nutriënten uit de arme landen.

Wat voor de varkens geldt, geldt in ruimere zin voor de gehele bio-industrie en met name voor pluimvee en de slachtrunderen.

Dit ingevoerde voedsel betreft een laagwaardig voedselgewas (tapioca) dat op relatief schrale gronden groeit. Het wordt vooral verbouwd op land dat net ontbost is. Daardoor worden de gronden in deze arme landen nog schraler, vindt er landdegradatie plaats en neemt de druk op natuurlijke gebieden toe, met als gevolg ontbossing.

Waar blijven die nutriënten? Behalve in het slachtvee zelf belandt het in op eigen bodem geteeld veevoer (snijmais), in de atmosfeer (zure regen), het oppervlaktewater (eutrofiëring) en in het grondwater.

De effecten van zure regen en eutrofiëring kunnen in korte tijd (binnen een generatie) hersteld worden. Zodra we ophouden mest in de atmosfeer te brengen zijn de effecten van zure regen snel verdwenen. Het grondwater is echter voor de eeuwigheid aangetast. Verblijftijden van waterdeeltjes in het grondwater kunnen - afhankelijk van het grondwatersysteem - gemakkelijk tienduizenden jaren bedragen.

Vooral op plaatsen waar men voor drinkwater van grondwater afhankelijk is, betekent deze vervuiling een vrijwel niet te herstellen aanslag op de waterkwaliteit van het grondwater, waarvoor ons nageslacht de rekening gepresenteerd krijgt. Het is misdadig om toekomstige generaties op te zadelen met een vrijwel onherstelbaar milieuprobleem dat wij gecreëerd hebben, puur uit kortstondig winstbejag. Vreemd genoeg krijgt dit aspect nauwelijks aandacht - noch van regeringszijde, noch van de milieubeweging.

Tel daar nog bij de enorme verkwisting van het transport van voedsel over grote afstanden (wat eindige hulpbronnen opsoupeert), en je komt op een volslagen onduurzaam plaatje dat wij een belangrijke bijdrage aan onze economische groei noemen.

Dankzij de varkenspest - een biologische reactie op onze onduurzame praktijken - blijkt er nu eindelijk een maatschappelijk draagvlak te zijn voor het inkrimpen van deze sector. Wat mij daarbij irriteert, is dat voortdurend zielige verhalen over de economische schade van die ingreep worden verteld, maar dat dit nooit wordt afgewogen tegen de duurzame schade voor het grondwater en de exploitatie van arme landen.

In wezen hebben we het hier over een misinterpretatie van het woord 'economie'. Het is duidelijk dat de grootschalige veehouderij financieel interessant is. Maar economisch is het niet. Wel voor de varkenssector, maar niet voor Nederland, en zeker niet voor de wereld als geheel. Als we de milieuschade, en de aanslag op eindige hulpbronnen erin betrekken, is deze sector oneconomisch.

Hoe is dit proces duurzaam te krijgen? Je zou de mest kunnen verwerken tot korreltjes, en die kunnen verschepen naar de landen waar het voedsel vandaan komt. We weten dat dat volgens de varkenshouders niet economisch is.

Maar dat is alleen zo omdat we in onze exploitatiegerichte economie niet bereid zijn de ware kosten van een product te betalen. Het meest efficiënte productieproces is dat waarbij de proces-cirkel gesloten en zo klein mogelijk is. En dat betekent minder grootschalige veehouderij.

Gelukkig wil de politiek dit nu bewerkstelligen. Maar om de een of andere reden - uit onwetendheid, partijbelang of gewoon hypocrisie - worden de twee belangrijkste redenen zelden of nooit genoemd. Door de effecten op het grondwater en op de arme landen niet te benoemen, wordt de discussie vernauwd tot een tegenstelling tussen economie en het eigentijdse milieu. Ofwel tussen geld en natuur. Dat is veel te beperkt, en het ontslaat ons van de verplichting na te denken over onze verantwoordelijkheid jegens arme landen en ons nageslacht.

Deze zomer heeft Hugo Brandt Corstius de Nederlandse economen aardig weten te provoceren met het verhaal over de gesloten pot van onze economie. Het was geen gesloten pot, reageerden zij, het was een open pot.

Natuurlijk is hij open, maar wat ze vergaten erbij te vertellen is dat deze pot gevoed wordt door eindige hulpbronnen (gas, aardolie), goedkope grondstoffen en halffabrikaten uit arme landen, en dat de resulterende vuiligheid diep onder in de pot verstopt wordt. De groeiende financiële inhoud van de pot is het gevolg van 'pot'verteren en niet van duurzame economische groei.

H.H.G. Savenije is hoogleraar waterbeheer bij het International Institute for Infrastructure Hydraulic and Environmental Engineering (IHE) te Delft.

Meer over