Topambtenaar Oosterwijk wil de economie ‘buitenstebinnen’ keren

Jan Willem Oosterwijk, de hoogste ambtenaar op het ministerie van Economische Zaken, wil de economie ‘buitenstebinnen’ keren. De secretaris-generaal formuleert deze ambitie in zijn traditionele nieuwjaarsartikel in het economenvakblad ESB....

Drie vragen dringen zich op: is buitenstebinnen iets anders dan binnenstebuiten? Wat wil hij precies? Is dat verstandig?

Oosterwijks stuk is geschreven rond een krachtig concept uit de arbeidsmarkteconomie: insider-outsider. Insiders zijn de mensen die ‘binnen’ zijn: een baan hebben. Outsiders staan werkloos ‘buiten’. Insiders hebben er belang bij hun positie te verdedigen: langdurige arbeidsrelaties, bescherming tegen ontslag, loonstijgingen, medezeggenschap. Naarmate de insiders hun positie vaardiger verdedigen, hebben de outsiders minder kans om binnen te komen, of alleen op slechtere voorwaarden (tijdelijk contract, lager loon, geen winstdeling).

Economen zeggen: slecht de bastions van de insiders. Dat is niet alleen goed voor de positie van de uitdagers van buiten, maar ook nog eens in het algemeen belang. Hun bevoorrechte positie maakt insiders duur en lui; de toestroom van goedkopere en actievere outsiders zal producten of diensten goedkoper en/of beter maken. Het slechten van barrières draagt dus bij aan het naar binnen halen van buitenstaanders: buitenstebinnen.

In de praktijk van de politieke economie ligt de nadruk vaker op binnenstebuiten. Als barrières worden geslecht, horen de insiders tot de verliezers, en die roeren zich doorgaans krachtig. Oosterwijk pleit niettemin voor een ‘open economie’, een economie die outsiders verwelkomt. Hij past daartoe het concept toe op diverse onderwerpen.

Europese boeren zijn de insiders op de internationale markt voor agrarische producten, beschermd door subsidies en handelsbarrières. Boeren uit Brazilië, Argentinië en Indonesië zijn de outsiders die Europese consumenten goedkoper kunnen bedienen. Maar hen verwelkomen heeft ‘forse gevolgen voor de inkomens van Europese boeren’. Oosterwijk bepleit het opengooien van de markt, waarbij de Europese insiders tijdelijk inkomensbescherming genieten (om te wennen) en gedeeltelijk een nieuwe taak krijgen als beheerder van landschap en milieu.

Hij past het concept ook toe op de huizenmarkt. ‘De outsiders op de huurmarkt zijn de mensen op de lange wachtlijsten voor de sociale woningbouw; voor de koopmarkt zijn het de (jonge) starters die geen koophuis kunnen betalen.’ Oosterwijk sluit zich aan bij recente analyses van het Centraal Planbureau (zowel van scheidend adjunct-directeur Taco van Hoek als van vertrekkend directeur Henk Don), dat de Nederlandse woningmarkt ernstig ontwricht is geraakt door een schier onontwarbare kluwen overheidsmaatregelen. Bouwrestricties, huurregulering, huursubsidie en hypotheekrenteaftrek- beleid gemaakt met de beste bedoelingen maar met nare uitkomsten. Oosterwijk wil ‘een verstandige transitie’.

Vergeleken met de stevige taal over internationale handel en de woningmarkt, is Oosterwijks analyse van de arbeidsmarkt tam te noemen. Ten eerste herhaalt hij een standpunt dat al vaker is betrokken: de CAO-lonen reageren te traag op een omslag in de conjunctuur, waardoor er de afgelopen recessiejaren veel meer werkloosheid is ontstaan dan nodig was. Zijn recept – maak een groter deel van de werknemersbeloning winstafhankelijk – moet ook trouwe Knikkerlezers bekend voorkomen.

Ten tweede bepleit hij vereenvoudiging van het ontslagrecht. Een prima idee. Zo oud als de weg naar Rome. En vooralsnog steeds tegengehouden door een lobby van insiders: vakbeweging en werkgeversorganisaties.

Ten derde laat hij een proefballon op over de werkloosheidswet WW. Het betreft een extra verplichting voor werkgevers, namelijk om ‘de hoogte van de premie mede afhankelijk te maken van het aantal voormalige werknemers dat zes maanden na ontslag nog steeds een uitkering geniet omdat hun kennis en vaardigheden zijn verouderd.’ Het is te hopen dat werkgevers deze administratieve (en juridische) nachtmerrie bespaard blijft. Een kind kan zien dat de publieke en private kosten van dit ingrijpen hoger zullen zijn dan de schade van het bestreden marktfalen.

En dus luiden de antwoorden: buitenstebinnen is de sympathieke formulering van binnenstebuiten. Dat is een krachtig (links) concept. Maar bij het steunen van de outsiders mag Oosterwijk krachtiger te werk gaan. De buitenstaanders op de arbeidsmarkt zijn er ongetwijfeld bij gebaat als Economische Zaken zich met het onderwerp gaat bemoeien. De analogie met het mededingingsbeleid (van Nederland kartelland naar concurrentieland) ligt voor de hand. Maar dan moet Oosterwijk met betere ideeën komen dan een ingewikkelde WW-premieboete voor werkgevers.

Meer over