Stilte hoort niet in een Indonesische trein

De spoorwegen zijn voorbereid op 'kwaadwilligen'. Wanneer de conducteur in de Fajar Utama Expres langs komt, wordt hij vergezeld door twee bewapende leden van een bewakingsdienst....

IN HET station Kertapati van Palembang heerst de gebruikelijke Indonesische chaos. Langs het eerste perron staat de Fajar Utama Expres naar Tanjungkarang klaar, met een CC-diesselloc van General Electric ervoor. Honderden passagiers verdringen elkaar, kinderen worden platgedrukt, kruiers rukken elkaar de koffers uit handen en verkopers van drank en zoetigheid duwen elkaar bijna tussen de rails. Maar niemand toont boosheid. De reizigers ondergaan elkaars ruwheid gelaten, als betrof het een natuurverschijnsel waarvoor ze niet verantwoordelijk zijn. Er wordt veel gelachen. Niks aan de hand, ja?

'Fajar is vannacht drie uur te laat uit Tanjungkarang teruggekomen', zegt Agus Sukamto, terwijl hij zich met mij door de menigte worstelt. 'Oponthoud vanwege kolentreinen. Altijd 's nachts.'

Pak Agus is hoofd voorlichting van Perumka Sumsel, de afdeling Zuid-Sumatra van de Indonesische Staatsspoorwegen. Hij heeft me in zijn auto naar de trein gebracht, een ritje van twintig minuten. Weliswaar logeerde ik vlakbij het station, maar we moesten tien kilometer omrijden omdat Kertapati aan de overkant van de rivier Musi ligt, die hier zo breed is als de Lek bij Schoonhoven.

Toen in 1911 de aanleg van de Zuid-Sumatra Staatsspoorweg (ZSS) begon, werd de bouw van een spoorbrug te begrotelijk geacht. Daarom moesten treinpassagiers uit Palembang per veerboot de Musi oversteken. Pas in de jaren vijftig kwam er een brug voor het wegverkeer, gefinancierd met Japanse herstelbetalingen. Maar een spoorbrug is er ondanks vele plannen nooit gekomen.

Volgens schema vertrekt de Fajar Utama om half negen, en hij moet zesenhalf uur later in Tanjungkarang aankomen. Behoorlijk snel voor 340 kilometer op Kaaps spoor van 1067 mm breed; in de koloniale tijd duurde de rit nog acht uur. Maar pak Agus tempert mijn verwachtingen. 'Zo snel gaat het nooit', zegt hij. 'Reken er maar minstens een uur bij.'

Ik reis ook nu weer Kelas Eksekutif vanwege de airco, want zeven uur in de plakhitte van de ongekoelde Kelas Bisnis is geen lolletje. Helaas blijkt mijn zitplaats zich precies onder het airco-apparaat te bevinden, en dat lekt zo hartstochtelijk dat ik na vijf minuten drijfnat ben. Maar de conducteur trommelt een technicus op, die het euvel in een mum verhelpt.

Indonesiërs houden niet van stilte, daar worden ze ongedurig van. In alle bussen en treinen van Indonesië staan video-monitoren, ook in de Fajar Utama. Ze braken een continue stroom vechtfilms uit, waarin heren elkaar in het gelaat schoppen terwijl hun dames handenwringend toekijken en soms ook even mee mogen doen (en dan steeds winnen). Iedere trap wordt begeleid door een luide paukenslag, en de oeh!'s, euh!'s, grrr!'s en aay!'s zijn niet van de lucht.

Gelukkig heb ik Oropax meegenomen. Zo slaag ik er in een boek te lezen, terwijl de rest van de coupé zit te slapen. Ze worden pas wakker als de video wordt uitgezet. Niet lang, een half uurtje maar. Dan begint de slachtpartij weer en kan iedereen rustig verder dutten. Niks aan de hand!

I N BIJNA alle ruiten van de Fajar Utama zitten grote sterren. 'Jahats, meneer' (kwaadwilligen), zegt een medepassagier, die ambtenaar is bij het elektriciteitsbedrijf. 'Die jongelui van tegenwoordig demonstreren alleen nog maar, in plaats van te werken of studeren. Ze gooien treinramen kapot, en ze roven! Ook in deze trein zitten ze. Kijkt u maar uit.'

De spoorwegen zijn voorbereid. Wanneer de conducteur langs komt, wordt hij vergezeld door twee bewapende Satpams, leden van een bewakingsdienst.

Het hele traject Palembang-Tanjungkarang is enkelsporig, op een paar stukken dubbelspoor na. Daar stopt de Fajar Utama steeds ongeveer een half uur, terwijl lege kolentreinen voorbij denderen, op weg naar de Bukit Asem Mijn bij Tanjung Enim.

Die mijn was begin deze eeuw de voornaamste reden dat de ZSS werd aangelegd. De bouw begon op twee plaatsen tegelijk: Kertapati in het noorden en Oosthaven in het zuiden. De kolen werden naar Kertapati vervoerd, waar ze op zeeschepen werden verladen. Tegenwoordig gaan ze naar Tarakan aan de Baai van Lampung, waar in de jaren tachtig door Nederlanders een nieuwe kolenoverslaghaven is gebouwd. De reis naar het zuiden is er door het vele oponthoud langer van geworden. Om vijf uur precies arriveert de Fajar Utama in Tanjungkarang, twee uur achter op het schema. Hier moeten we eruit. Jammer. Ik had eigenlijk door willen reizen naar Panjang, de voormalige Oosthaven aan de Baai van Lampung. Elf jaar geleden deed ik dat al eens. Toen lag daar aan de overzijde van het perron een veerboot klaar om de reizigers te vervoeren naar Merak op West-Java. Het werd een prachtige tocht over een spiegelgladde Straat Soenda, met in de verte de donkere contouren van de vulkaan Krakatau tegen de maanverlichte hemel. 's Ochtends tegen zessen kwamen we in Merak aan, en daar stond de trein naar Jakarta al klaar. Een droomverbinding.

Die doorgaande treinreis was mogelijk sinds 1927. Op 22 februari dat jaar was de Noord-Zuidlijn klaar, en dat werd passend gevierd. Twee treinen vol koloniale autoriteiten reden uit Kertapati en Oosthaven naar elkaar toe, en in Blambangan ontmoetten zij elkaar. Daar werd 'onder eenig feestgedruisch' de laatste railbout ingedraaid en het glas geheven op de nieuwe treinverbinding Java-Sumatra.

Helaas, voorbij. Tien jaar geleden is de veerdienst Panjang-Merak opgeheven. Ook hier heeft de bus het van de trein gewonnen.

Maar ik heb mij voorgenomen die reis nog één keer te maken. Daarom charter ik bij het station van Tanjungkarang een taxi die mij voor honderdduizend rupiah (dertig gulden) in twee uur naar Bakauheni rijdt, honderd kilometer verderop. Daar, waar Straat Soenda op z'n smalst is, vertrekt één keer per uur een gigantisch autoveer naar Merak. Tegen middernacht ben ik aan de overkant en de volgende ochtend om zes uur zit ik net als vroeger in de trein naar Jakarta.

Nog steeds wordt die getrokken door een betrouwbaar ogende BB-loc van Krupp. Maar zo afgeladen als toen is hij niet, want doorgaande treinreizigers zijn er niet meer. Pas in Rangkasbitung stroomt hij vol. En daar zijn ook al die zingende, trommelende en gitaarspelende jongelui weer, die alle treinen in Java overspoelen.

'Dat is de crisis, meneer', zegt mijn buurman, die boekhouder is. 'Veel jongelui zijn werkloos, en op deze manier moeten ze bijverdienen. Kijkt u maar uit voor uw spullen, want ze stelen.'

Wanneer we tegen half tien Jakarta binnenrijden, ben ik in slaap gesukkeld. Maar ik word ruw gewekt door een enorme klap. Iemand heeft met kracht een onbekend voorwerp tegen een raam gesmeten. De kluiten aarde vliegen om mijn hoofd.

'Ach, dat zijn de jongelui weer', zegt mijn buurman. 'Ze doen maar tegenwoordig. Doet u het gordijn maar dicht, dan zien ze u niet.'

Rondom wordt geruststellend gelachen. Niks aan de hand!

Meer over