Paniek en reclame in de Mir

Begin april 1997 is het improvisatie troef aan boord van het Russische ruimtestation Mir, dat dan al meer dan tien jaar baantjes rond de aarde draait....

En dan, na een hele dag inspannend werk, meldt zich om half twaalf 's avonds de vluchtleiding vanuit het commandocentrum bij Moskou. 'Heren, de hoogste tijd om een reclamespotje op te nemen voor een Israëlische melkfirma.' Of een van de Russische kosmonauten even zijn gereedschap opzij wil leggen om wat melkdruppels door de ruimte te laten zweven.

Het zijn die momenten waarop de Amerikaanse astronaut en arts Jerry Linenger, sinds drie maanden aan boord in het kader van een Amerikaans-Russisch samenwerkingsprogramma, door het lint gaat. Staan ze met man en macht reparaties uit te voeren aan dat gammele ruimtestation, moet het werk worden gestaakt om enkele onnozele honderdduizenden dollars te verdienen met het draaien van zo'n tv-spot. En die voor Israël is niet de enige: de weken daarvoor is er al gewerkt voor een bananenfirma en voor Pepsi.

De situatie is tekenend voor de financiële malaise waarin de Russische ruimtevaart verkeert na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. Er is geen rooie cent meer, geld voor ruimtevaart moet her en der bijeen worden gesprokkeld, waardoor de continuiteit van het ruimtestation in gevaar komt. In 1993 komen de Amerikanen daarom met vierhonderd miljoen dollar over de brug.

De Russen kunnen hiermee hun Mir in de lucht houden. Dat kan als opstap dienen voor de samenwerking tussen de Russen en de Amerikanen (samen met Europa en Japan) bij de bouw van een internationaal ruimtestation dat tussen 2001 en 2003 in gebruik moet worden genomen.

In ruil voor dit geld mogen Amerikaanse astronauten enkele maanden achtereen aan boord van de Mir verblijven om er wetenschappelijk onderzoek uit te voeren. Bovendien kunnen ze ervaring opdoen met langdurige blootstelling aan gewichtloosheid. Dat kan straks nuttig zijn aan boord van het internationale ruimtestation.

Het gedoe in de Mir - de vele reparaties en enkele ongelukken op rij, vooral halverwege 1997 - vormen de ingrediënten voor het boek Dragonfly (het ruimtestation, als een libel stilhangend boven de aarde), van de Amerikaanse auteur Bryan Burrough. Het is geschreven als een soort thriller, gelardeerd met intriges over wie de ruimte in mag bijvoorbeeld, waarom en wie dat uiteindelijk bepaalt.

Het boek, zodanig geschreven dat de schrijver van het eventuele filmscenario er nog maar weinig werk aan zal hebben, is gebaseerd op talloze gesprekken die de auteur heeft gevoerd op het NASA-hoofdkantoor in Washington en op het Johnson-ruimtevaartcentrum in Houston, met de leiding daar en met talloze astronauten.

Ook bezocht de auteur Star City, de Russische evenknie van Houston in de buurt van Moskou. Bovendien gebruikte Burrough rapporten, verslagen en e-mailverkeer tussen Russen en Amerikanen - verkregen na een beroep op de Freedom of Information Act - om de gebeurtenissen in 1997 te reconstrueren. Een uiterst geslaagde exercitie.

De incidenten in de Mir zijn dat jaar niet van de lucht. Zo ontstaat er een heftige brand aan boord als een zuurstofgenerator explosief vlam vat. Pas na anderhalf uur kan het vuur worden geblust, want brandblussers zijn niet direct voorhanden. Bovendien kunnen enkele kosmonauten hun vluchtweg - een aangekoppelde Sojoez-capsule - alleen bereiken na passage van de brandhaard.

De Amerikaan Jerry Linenger raakt in paniek door die vele incidenten. Hij is een zenuwinstorting nabij en smeekt Houston hem onmiddellijk op te halen. In afwachting daarvan weigert hij nog langer met de Russen aan boord en met het vluchtleidingscentrum bij Moskou te praten. Uit angst sluit hij zich op in een van de onderzoeksmodules. Hij moet dan nog een maand.

Maar die verstikkende brand, waarvan de Amerikanen pas tien uur later door de Russen op de hoogte worden gesteld, is niet het meest bizarre ongeluk aan boord van de Mir. Eind juni 1997 raakt een (te?) zwaar beladen Progress-vrachtvoertuig onbestuurbaar, voordat het aan de Mir kon worden gekoppeld. Het voertuig zweeft dan op slechts enkele tientallen meters van het ruimtestation. Het versnelt plotseling en raakt met een rotklap een van de Mir-modules en een zonnepaneel aan de zijkant.

Er ontstaat een gat in de modulewand waardoor lucht vanuit het ruimtestation wegstroomt richting ruimtevacuüm. De druk binnen daalt snel. Een snelle reactie - sluiting van de toegangsdeur naar de module - voorkomt een levensbedreigende situatie.

Na de botsing escaleren de problemen, lijkt het. Standregelsystemen falen voortdurend, waardoor zonnepanelen niet langer optimaal op de zon staan. Dan wordt onvoldoende stroom opgewekt en raken accu's aan boord leeg.

Hierdoor draait het ruimtestation voortdurend uit zijn baan, wordt het te warm aan boord en moet de elektriciteit op rantsoen. Diverse apparaten moeten worden uitgezet, en wetenschappelijk onderzoek, waarvoor de Amerikanen zijn gekomen, kan niet meer worden uitgevoerd.

Paniek bij de Amerikanen omdat een van hun astronauten aan boord is, enige laconiekheid bij de Russen, gewend als ze zijn om reparaties aan high tech spullen uit te voeren met schroevendraaiers en tangen. De opmerking van Frank Culbertson, voormalig astronaut, en verantwoordeljk voor de Amerikaans-Russische samenwerking in de Mir, tegen auteur Burrough, sluit hierbij aan: 'De Russen hechten minder waarde aan een mensenleven dan wij Amerikanen.'

Direct na de botsing willen de Amerikanen dat de bemanning - waaronder de Amerikaanse astronaut Foale - de Mir zal verlaten. De Russen zien daar geen brood in. Het voorstel alleen al lijkt een soort heiligschennis, die twintig ton staal, symbool van het heroïsche ruimtevaartprogramma van de Russen, kan best nog enige jaren mee.

Inmiddels is het rond de Mir wat rustiger geworden. Voldoende reden voor de Russen om af te zien van hun belofte indertijd aan de Amerikanen om hun hopeloos verouderde en krakkemikkige ruimtestation Mir in juni 1999 op te geven. Er rest hun nog één probleem: geld voor exploitatie hebben ze nog altijd niet.

Meer over