Paars schept belastingparadijs

Met haar belastingplan voor de 21ste eeuw laat de regering de kans voorbij gaan met een progressiever belastingstelsel de inkomensverschillen te verkleinen, concludeert Jan Marijnissen....

ZES op de tien Nederlanders zijn volgens een recente opiniepeiling van het NIPO (in opdracht van de SP), vóór belastingmaatregelen die de inkomensverschillen verkleinen. Die meerderheid zal, net als ik, teleurgesteld hebben kennisgenomen van de plannen van minister Zalm en staatssecretaris Vermeend van Financiën. Want daarin blijft de bevoorrechte positie gehandhaafd van degenen die het financieel al voor de wind ging. In dat opzicht is het een wel erg conservatieve 'modernisering' van het belastingstelsel.

Dat wordt duidelijk zichtbaar bij de belasting van het eigen huis. Enkele uitwassen worden geschrapt (zoals de hypotheekrenteaftrek voor een tweede huis), maar de onbeperkte aftrek als zodanig blijft gehandhaafd. Dus wordt duur belastinggeld ook straks gebruikt om rijke villabewoners te subsidiëren.

De vrees dat mensen die met hard werken een huis hebben gekocht bij een beperking van de renteaftrek in de problemen zouden komen, is onterecht. Beperking van de aftrek voor enkelen (de hoogste inkomens) betekent eigenlijk vooral een garantie van de aftrek voor het overgrote deel van de huizenbezitters. Niemand wil de aftrek helemaal schrappen. Steeds wordt gesproken over het schrappen van dat deel van de aftrek dat een redelijk hypotheekbedrag te boven gaat.

Iedere politicus weet dat beperking van de hypotheekrenteaftrek slechts een buitengewoon klein deel van de huizenbezitters financieel nadeel zal brengen: dat deel dat zich de luxe kan permitteren - doorgaans vanwege een inkomen van twee, drie of meer maal modaal - om een hele hoge hypotheekschuld te hebben. En bij wie nu het fiscale voordeel goeddeels terecht komt: 45 procent van het totale belastingvoordeel (4,8 miljard gulden) komt terecht bij de 7 procent hoogste inkomens.

Wanneer er een aftrekgarantie zou worden gegeven voor hypotheken tot 350 duizend gulden en alleen over het restant van de hypotheek geen aftrek meer zou zijn toegestaan, dan zou het overgrote deel van alle huizenbezitters rustig kunnen gaan slapen met de zekerheid dat hen op dit punt niks kan overkomen.

En zelfs de villabezitters zouden tevreden kunnen zijn, omdat ze over de eerste 350 duizend gulden van hun hypotheek ook nog steeds het aftrekrecht behielden - en dat nog eens tegen het hoge tarief. Bijkomend voordeel van een dergelijke maatregel zou een structurele jaaropbrengst voor de fiscus zijn van een miljard gulden. Geld dat bijvoorbeeld gebruikt zou kunnen worden om de positie van laagbetaalde huurders te verbeteren en daarmee de inkomensverschillen wat te verkleinen.

Natuurlijk weten mensen als Zalm, Vermeend en Kok dat een dergelijke beperking absoluut geen gevolgen heeft voor de overgrote meerderheid van de bevolking. Dus betekent het handhaven van de aftrek een welbewuste keus voor het instandhouden van de - elders onbekende - bovenmatige bevoordeling van bewoners van dure huizen.

Sterker nog, de onbeperkte aftrek tegen het hoogste tarief van de inkomstenbelasting stuwt de huizenprijzen omhoog en dupeert eigenlijk elke huizenkoper. Het zou de voorstanders sieren als ze daarvoor uit zouden komen. Maar dat gebeurt helaas niet. De modale woningbezitter wordt als schaamlap gebruikt om een systeem van verrijking van een kleine groep in stand te houden.

Een soortgelijk verhaal is van toepassing op de wijze waarop de regering vermogensbezitters aanpakt. Volgens dezelfde NIPO-peiling vindt een meerderheid van de bevolking dat van deze groep een grotere bijdrage aan de schatkist gevraagd mag worden. De regering komt echter met een magere vermogensrendementsheffing waarmee een aandelenbezitter zijn vaak hoge vermogenswinsten niet harder ziet aangepakt dan een spaarder die rente ontvangt.

Tegelijkertijd schaft de regering de nu bestaande vermogensbelasting af, zodat er per saldo slechts een zeer beperkte extra opbrengst voor de belasting zal resteren - en dat nadat zovelen (onder wie de minister-president) schande geroepen hebben over de exorbitante vermogenswinsten.

Nu al wordt duidelijk dat Nederland een belastingparadijs zal worden voor bijvoorbeeld Duitse miljonairs, economische vluchtelingen op wie niemand zit te wachten. Waarom gaat de regering niet over tot een voor de hand liggende oplossing, namelijk het invoeren van een vermogenswinstbelasting, zoals die in de meeste ons omringende landen bestaat?

In een recent SP-voorstel (vermogenswinstbelasting tegen een tarief van 35% onder afschaffing van de huidige vermogensbelasting), betekent dat een extra opbrengst voor de schatkist van pakweg 5 miljard - geld waarmee bijvoorbeeld een aantal maatregelen ten behoeve van mensen met een minimuminkomen bekostigd zou kunnen worden.

Te denken valt aan een 'terugtax' van 250 gulden per maand aan mensen die werken tegen 100 tot 115 procent van het minimumloon. Het Centraal Plan Bureau becijferde dat een daarover handelend SP-voorstel 55 duizend extra banen zou opleveren in het lage-lonensegment (dat is bijna net zoveel als het hele belastingplan van Zalm en Vermeend).

Ook elders laten Zalm en Vermeend mogelijkheden liggen om het belastingstelsel daadwerkelijk te moderniseren. Ze handhaven de ouderwets bevoordeling van grootverbruikers van gas en elektriciteit. Die hoeven ook in de 21ste eeuw geen ecotax te betalen, terwijl kleinverbruikers nu al zo'n miieubelasting betalen. Een gematigde ecotax voor grootverbruikers levert de schatkist zo 1,6 miljard gulden op zonder de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven te schaden.

Moderniseren wil zeggen aanpassen aan de eisen van de tijd. Voor mij betekent modernisering van het belastingstelsel met name het verkleinen van inkomensverschillen en het vergroten van de middelen van de overheid om een sociaal verantwoord beleid te kunnen voeren. Ik ben ervan overtuigd dat daarvoor ook draagvlak onder de bevolking bestaat.

Meer over