Ontwikkelen doet soms pijn

In Angola profiteert alleen de elite van de stijgende welvaart. De meeste armen wachten geduldig. ‘Het zal beter worden.’..

LUANDA Een simcard? Geen probleem. De dame in het kantoortje van Unitel, op de internationale luchthaven bij de Angolese hoofdstad, heeft er een klaarliggen. Alleen moet er nog een kopie van het paspoort van de klant worden gemaakt. Waarom eigenlijk? De verkoopster heeft zelf ook geen idee.

In de tijden van het reëel bestaande socialisme hoorde het maken van kopieën en het invullen van formulieren tot de standaarduitrusting van elke zichzelf respecterende bureaucratie. Angola, ooit een op marxistisch-leninistische leest geschoeide staat, deed hiervoor niet onder.

En al maken de smakeloze gebouwen uit de tijd der strijdende kameraden in Luanda langzaam plaats voor de iets minder smakeloze glaspaleizen der mondialisering, oude gewoontes sterven maar langzaam uit. Een kopie is een kopie is een kopie, ook al verdwijnt die in een nutteloos dossier.

De luchthaven zelf herinnert nog aan de oude tijd. De ‘naam’ is immers een datum: 4 februari, de dag waarop in 1961 de strijd begon tegen het wrede koloniale bestuur van de Portugese president Salazar. In 1975, na de Portugese anjerrevolutie, kreeg Angola zijn vrijheid, tegelijk met andere Portugese wingewesten als Mozambique.

De combinatie van oud en nieuw, van starheid en moderniteit, wordt ook geïllustreerd door de eigenaar van Unitel: de dochter van president José Eduardo dos Santos. Nepotisme is een feit.

De dochter doet – heel modern – een poging tot sociaal ondernemerschap door een kalender uit te brengen die waarschuwt tegen de gevaren van hiv en aids, een onderwerp waarover in Angola inmiddels tamelijk vrij wordt gesproken. Maar de kalender bestaat uit twaalf semipornografische prenten van zwoele Angolese dames. Waarschuwing of aanbeveling?

Het zijn voorbeelden van een land dat druk doende is een nieuwe maatschappelijke balans te vinden. Ontwikkelen doet soms pijn. Op het platteland, waar de meeste van de circa vijftien miljoen Angolezen wonen, bestaat daarbij nog steeds het gevaar van landmijnen. Maar in de hoofdstad dendert de vooruitgang door.

De Marginal, de boulevard langs de prachtige baai waaraan Luanda is gebouwd, wordt uitgebreid. Bij de gietijzeren krotten die vissers hebben opgetrokken, staan de graafmachines klaar. Eerst wordt de weg verbreed, dan moet de sloppenwijk plaatsmaken voor nieuwe gebouwen.

Ontruimingen zijn bijna aan de orde van de dag. Vaak worden daarbij ‘fouten’ gemaakt. Mensen krijgen niet op tijd een aanzegging, en wie protesteert komt soms hardhandig in de gevangenis terecht. Daar kan iemand vervolgens lang zitten wachten, voordat het tot een proces of vrijlating komt. En toch, het kan er in Afrika zo veel grover aan toe gaan.

‘We zitten hier sinds 1994’, vertelt Alfonso Ngunza, een bewoner van de visserswijk. ‘Wij komen uit de provincie en zijn gevlucht voor de oorlog. De regering heeft steeds voor ons gezorgd. Ook nu nog. De vissers gaan naar een andere plek, vijftien kilometer verderop aan zee. De rest krijgt elders een huis. We worden niet vergeten.’ Zulke uitingen van loyaliteit en vertrouwen zijn opvallend. Ze vormen echter geen uitzondering.

De Unita, de in 2002 verslagen tegenstander van de MPLA in de burgeroorlog die na 1975 uitbrak, zit in een dubbelrol. Zij maakt deel uit van de GURN, de regering van nationale eenheid, maar vormt ook de oppositie in het parlement, dat al sinds 1992 niet meer is herkozen. Unita zoekt munitie om de grootste partij te kunnen worden.

‘De statistieken van de regering kloppen niet’, meent Miraldina Jamba, die volgend jaar Unita-kandidaat bij de parlementsverkiezingen hoopt te zijn. ‘Er is sprake van enorme economische groei, maar slechts voor een toplaagje’, zegt ze. ‘Het grootste deel van de bevolking heeft nog geen deel aan de vooruitgang.’

Dat klopt. Maar veel Angolezen lijken daar nog wel op te willen wachten. Zoals Alfonso Ngunza in de sloppenwijk. ‘Natuurlijk willen wij ook ons deel van de toenemende welvaart. Maar we vertrouwen erop dat dit gaat gebeuren. Stapje voor stapje, maar steeds meer.’

Om tot een eerlijker sociaal-economische verdeling te komen, om de bevolking op te leiden en van fatsoenlijke gezondheidszorg te voorzien, moet de enorme corruptie, met name in de oliesector, beteugeld worden. ‘Aan die top gebeuren schimmige dingen’, zegt Manuel Alves da Rocha, een Angolese econoom.

Da Rocha wijst er terecht op dat ‘groei’ iets heel anders kan zijn dan ‘ontwikkeling’. Dat is te zien bij de haven, waar een soort Berlijnse muur de bewoners van weer een andere sloppenwijk gescheiden dient te houden van de werkplaatsen van het Angolese olie- en gasbedrijf Sonangol.

Bij de muur fileert een inwoner een vis. ‘Ja, aan de andere kant zit het grote geld’, zegt João Mammo. ‘En wat zie je hier?’ Armoede, inderdaad. Toch gelooft Mammo dat daar binnen afzienbare tijd een eind aan komt. Hij lacht: ‘We zullen hier weg moeten. Maar het zal er beter op worden.’

Meer over