Ontheiliging van het genie

Zelden behaalt het voetballende genie in een loopbaan als trainer hetzelfde topniveau. Hoelang kan Diego Maradona, die vandaag als bondscoach van Argentinië van Peru moet winnen om de WK-kansen levend te houden, teren op krediet?...

Van Bill Laich, eens de Argentijnse arts van Diego Maradona, hoorde AZ-directeur Toon Gerbrands een anekdote over de totempaal als metafoor in het voetbal. Bovenop de versierde, houten paal zit het mooiste, machtigste beest. Vertaald naar voetbal: elk voetballand heeft een onaantastbaar genie dat vanaf de top alles beziet en tegen wie het voetvolk opkijkt: Maradona, Pelé, Cruijff, Beckenbauer, Platini. ‘Als je degene op de top aanvalt, krijg je het hele land op je dak.’

Laich vertelde de metafoor naar aanleiding van Maradona. Gerbrands, parafraserend: ‘Coke snuiven, schieten op journalisten, te dik worden en bijna dood gaan, het kon en mocht allemaal. Maradona had door zijn genialiteit als voetballer bijna oneindig veel krediet opgebouwd.’

Maar Maradona de bondscoach staat op de beschamende vijfde plaats in de WK-kwalificatiegroep van Zuid-Amerika, terwijl alleen de eerste vier landen zich rechtstreeks kwalificeren voor Zuid-Afrika. Zijn jaar als bondscoach is een aaneenschakeling van chaos, slecht spel en warrig selectiebeleid.

Maradona dreigde deze week zijn ontslag in te dienen. Hij heeft genoeg van de bemoeienis van technisch directeur Bilardo en de aanzwellende kritiek. Het eens aanbeden genie voelt tegenwind, zoals de kritiek op Van Basten toenam toen zich openbaarde dat de ster van voorheen sterfelijk bleek, nadat hij van zijn Olympus was afgedaald en Nederland niet eventjes kampioen maakte van de wereld, of op zijn minst van Europa.

De aanbidding voor Maradona verdwijnt gaandeweg, behalve dan bij bijvoorbeeld Sergio Romero, de doelman van AZ die het een jaar geleden bijna niet kon geloven dat Maradona, zijn idool, bondscoach werd. Vlak voor vertrek naar Zuid-Amerika, voor de beslissende duels met Peru en Uruguay, zei Romero: ‘Diego is anders omdat hij Maradona is. Hij was en is de beste speler ter wereld en hopelijk loodst hij ons de komende twee wedstrijden naar het WK.’

Opvallend aan deze uitspraak is dat Romero Maradona eigenlijk nog als speler ziet, als het genie van weleer, als een persoon met, volgens woordenboek Van Dale, de ‘aangeboren gave van grote geesten om iets buitengewoons te scheppen’.

Dan luidt de logische tweede vraag of hij als trainer net zo geniaal is als als voetballer? Romero: ‘Hij was een genie op het veld en als God het wil, is hij ook een genie op de trainersbank.’

Weer opvallend dus: Romero denkt dat de geniale voetballer bijna automatisch een goede trainer is. Toch relativeert hij onbedoeld de trainer Maradona. Waar Maradona het als speler in zijn eentje afkon, kan hij als trainer wat hulp van boven gebruiken. Laatste vraag dan: of hij chaotisch is, weinig gestructureerd in zijn werk? ‘Nee, hij is een uitstekende trainer. Uitstekend.’

Maar Maradona is hét voorbeeld van de geniale voetballer van vroeger die niet uitblinkt als trainer. Ander vak, andere mores. Dat is meestal zo, uitzonderingen als Cruijff en Zagallo daargelaten. ‘Een goed paard is nog geen goede ruiter’, zei Co Adriaanse in 2001, toen Ajax aan Van Basten dacht als trainer van het tweede elftal.

Het aanvallende genie als voetballer is een gezegend mens. Hij hoeft minder te luisteren naar de trainer. Hij is immers geniaal. Hij is onmisbaar. Hij heeft geen dwingende structuur nodig. Hij mist bijna alles wat hij later als trainer nodig heeft. Diep van binnen beseft hij dat zijn leven na het voetbal nooit meer zo mooi zal zijn.

De wat mindere voetballers daarentegen, verdedigers en middenvelders met name, zijn vaak bijna geboren trainers. Ze letten altijd goed op, ze doen hun uiterste best, ze hebben weleens op hun donder gehad, ze volgen braaf de cursus (Cruijff kreeg zijn diploma!), ze behouden overzicht op het veld, ze zijn didactisch onderlegd, ze zijn bezeten, ze willen als trainer alsnog bereiken wat hen als speler niet was gegund; een bepaalde mate van genialiteit bereiken. Hiddink, Van Gaal, Adriaanse, Beenhakker, Sacchi, Ferguson, Mourinho, McClaren, Rutten, Jol, Wenger, de reeks is oneindig.

Het aanvalsgenie is, grof gezegd, geen geboren trainer. Michel Platini week na een mislukte loopbaan als bondscoach van Frankrijk uit naar het pluche en houdt tegenwoordig de voorzittersstoel van de UEFA bezet. Hij heeft zijn flair hervonden. Beroepsambassadeur Pelé heeft het niet eens geprobeerd als trainer. Di Stefano en Puskas raakten na aanvankelijke successen (Valencia, Panathinaikos) verzeild in steeds afgelegener oorden, bij steeds kleinere werkgevers.

Romario overweegt een loopbaan in de politiek. Zidane deed iets met Adidas en is een soort uithangbord van Real Madrid. Van der Kuijlen is de ideale assistent. Cantona ging de filmwereld in. Weah probeerde president van Liberia te worden. Gullit en Van Basten zijn op zijn minst omstreden. Van tal van andere aanvallers die het predikaat geniaal verdienden, is als trainer weinig of niets vernomen: Lenstra, Keizer, Rensenbrink, Rep, Swart, Moulijn, Best, Garrincha, Eusebio, Boniek, Francescoli, Rivelino, Seeler, Ceulemans, Müller. Ze konden fantastisch voetballen, maar buiten het veld heerste soms chaos in hun hoofd. Ze misten structuur of hadden gewoon geen zin in een baantje dat ze als oninteressant afdeden.

Ja, Cruijff was goed als trainer (en ook nog als speler op de partijtjes), hoewel hij met zijn intuïtieve aanpak balanceerde op de rafelranden van het succes. Schitterend, ongelooflijk aanvallend spel werd afgewisseld met, bijvoorbeeld, een onwaarschijnlijke afgang in de finale van de Champions League van 1994, tussen zijn Barcelona en AC Milan (0-4). De oorzaak voor de blamage lag vooral in forse onderschatting.

En omdat Cruijff een van de uitzonderingen is, verkondigde hij jarenlang het evangelie dat alleen topvoetballers goede trainers konden zijn. Hijzelf, in zijn latere loopbaan steeds meer spelverdeler dan aanvaller, was immers het levende bewijs. Hetgeen dus onjuist is.

Platini bracht in 1989 zijn machteloosheid te berde in een vraaggesprek met L’Equipe: ‘Ik word er ziek van dat allemaal van de bank te moeten aanzien. Je mag er niet tussen springen, je kunt niets doen. Je denkt voor iedereen en waar leidt het allemaal toe? Je bent, net als al die andere trainers, volstrekt nutteloos. Totaal nutteloos, begrijp je.’

Van Basten sprak vorig seizoen, toen de contouren van de mislukking bij Ajax zich aftekenden, indringend met directeur Van den Boog, die vond dat hij meer moest communiceren. Iets vier keer uitleggen in plaats van drie keer, bijvoorbeeld. Hij moest zich ‘verlagen’ tot het niveau van de spelers om begrip te kweken. Hij snapte niet dat ze bepaalde zaken niet oppikten, hij hekelde soms hun gebrek aan professionaliteit en oordeelde uiteindelijk te hard over zichzelf, toen hij zijn ontslag indiende in mei. ‘Ik ben niet goed genoeg voor Ajax.’ Ajax was ook niet goed genoeg voor hem.

Interessant is de loopbaan van Bert van Marwijk, de bondscoach van Oranje, die zijn staf bewust aanvulde met Frank de Boer en Cocu. Niet alleen omdat zij gelouterde spelers van vroeger zijn, ook omdat de een (Cocu) alles kan vertellen over middenvelders en de ander (De Boer) over verdedigers. En hijzelf weet veel van aanvallers.

Van Marwijk begon als flegmatieke aanvaller bij Go Ahead Eagles. Hij was een linksbuiten die alles onderging, zo vertelde hij voor het vertrek naar Australië, waar Nederland vandaag een oefenduel afwerkt. ‘Toen ik een jaar of 27 was kwam ik bij MVV op het middenveld terecht, en later ging ik nog verder naar achteren. Toen onderging ik het spel niet meer, toen wilde ik het weten. Als linksbuiten ergerde ik me kapot als de linksback mij de bal niet snel genoeg gaf. Later, op het middenveld en achterin, ergerde ik me soms aan alles dat om me heen gebeurde.’

Ziehier dus: de transformatie van flegmatieke aanvaller tot tactisch heersende verdediger, van rebel tot leider, van speler tot trainer, van iemand die bijna alles op gevoel deed, tot iemand die ook de nodige structuur heeft aangebracht. ‘Ik doe nog steeds veel op gevoel, maar niet alles. Het is niet meer zo dat ik ’s morgens opsta, naar buiten kijk en me afvraag wat ik deze dag zal gaan doen.’

Niets in de jonge voetballer Van Marwijk zei dat hij eens trainer zou worden. Het bestuur adviseerde rechtsbuiten Willy van Bommel en hem met de jeugd aan de slag te gaan, bij MVV. ‘Wij dachten alleen: we brengen ze wat passeerbewegingen bij en gaan lekker op goal knallen.’

Op de vraag hoe het kan dat zo weinig geniale aanvallers toptrainer werden, volstaat Van Marwijk met een algemeen antwoord: ‘Een heel creatief mens is in het algemeen geen leider.’

Zie Maradona, tijdens de Copa America van 2007 in Venezuela. Hij gaf een persconferentie, over Messi, politiek, over vanalles eigenlijk. In een hotelzaaltje konden hem alle vragen worden gesteld. Maradona droeg het shirt van Argentinië. Hij was geen speler meer en hij was nog geen trainer. Hij liet zich meevoeren door antwoorden, fans, soldaten en emoties.

Een jaar later was hij bondscoach en iedereen gaf hem het voordeel van de twijfel.

Gerbrands: ‘Hij is aangesteld op basis van zijn positie op de totempaal. De startsituatie is dan verschillend van die van andere coaches. Hij wordt ook langzamer afgerekend. Heel grote spelers van vroeger halen de angst bij een ploeg weg, dat is een kwaliteit op zich. Als de resultaten tegenvallen worden ze langzaam een gewone coach. Dan moeten ze iets verzinnen om zichzelf weer te verheffen. Dat is moeilijk, want dat hebben ze nooit gedaan. Daarmee hebben ze geen ervaring, daarvoor ontbreekt de methodiek.’

Joop Alberda, voormalig volleybalcoach en voorheen directeur van NOC*NSF: ‘Onder doelmannen en geniale aanvallers zie je de minste goede trainers. Ze staan aan het begin of bijna aan het einde van de keten, ze hebben het minst te maken met anderen.’ Specifiek over aanvallers: ‘Anderen hebben altijd voor ze klaargestaan. Ze zijn onbewust bekwaam.’

Om een goede trainer te worden moeten ze een stap terug doen naar een niveau van bewuste bekwaamheid. ‘Maar ook dan blijft het moeilijk om hun genialiteit over te dragen.’ Maradona weet er inmiddels alles van.

Meer over