Ondernemer in de strijd tegen dierenleed

Hij werd in enkele jaren tijd een van de belangrijkste stemmen in het debat over dierenwelzijn. Hans Baaij pakte de veetransporten aan, de wantoestanden in slachterijen en het castreren van biggen....

Door Caspar Janssen

Het was 4 september 1997, zo ongeveer op het dieptepunt van de varkenspestcrisis, dat het leven van Hans Baaij, voormalig psychologiestudent en horecaondernemer en zojuist afgestudeerd fiscaal jurist, een beslissende wending kreeg. In de krant van die dag stond op de kunstpagina een bescheiden advertentie van schrijver J.J. Voskuil. De schrijver, op het hoogtepunt van zijn bekendheid vanwege zijn romancyclus Het Bureau, riep Nederlanders op 25 gulden te storten op zijn girorekening. Daarmee wilde hij vier enorme oproepen in vier landelijke dagbladen betalen om er bij de regering op aan te dringen ‘een eind te maken aan de ellendige omstandigheden waaronder varkens in ons land worden vetgemest’.

Hans Baaij, die net als Voskuil geschokt was door de beelden van de miljoenen varkens die in die maanden werden ‘geruimd’, zei tegen zijn partner en fervent Voskuillezeres Hanca Leppink: ‘Maar dat is niet slim. Als hij dat geld op zijn eigen girorekening laat storten, dan krijgt hij problemen met de belastingen.’

Diezelfde dag nog schreef hij een briefje van die strekking naar Voskuil – hij vond in het telefoonboek een J.J. Voskuil op de Herengracht. Hanca Leppink: ‘De volgende dag belde Hans op; hij zat met Han Voskuil bij ons aan de keukentafel. Ze gingen samen naar de notaris om een stichting op te richten. Hij zei: Han en Hans gaan in varkens.’

‘Wij wisten niets van dat fiscale’, zegt Lousje Voskuil, weduwe van de vorig jaar overleden Han Voskuil. ‘We kregen elke dag een kartonnen doos met girobiljetten van de post. Toen kwam die brief van Hans. Hij zei: je moet dit scheiden van je eigen inkomsten.’

Zo ontstond de stichting Varkens in Nood en verschenen de vier advertenties van elk twee pagina’s in de kranten. Met 7.500 ondertekenaars. Lousje Voskuil: ‘Mijn man en ik dachten heel naïef: na die advertenties zal het wel afgelopen zijn met de bio-industrie. Maar zo was het natuurlijk niet.’

Han Voskuil ging weer schrijven (Koos van Zomeren volgde hem in eerste instantie op als ambassadeur voor de varkens) en Hans Baaij werd voorzitter van Varkens in Nood. Eerst nog onbezoldigd, naast zijn praktijk als fiscaal jurist. En sinds 2003 fulltime, voor een minimumloon. Voortvarend, zacht gezegd, volgens vriend en vijand. ‘Hij is binnen een paar jaar een van de belangrijkste stemmen geworden in dierenland’, zegt Erno Eskins, filosoof en bestuurslid – met Hans Baaij – van de stichting Dier en Recht. ‘Hans heeft de uitwassen in het veetransporten aan de kaak gesteld, de toestand in de slachterijen. Hij heeft ervoor gezorgd dat 700 duizend biggen niet meer worden gecastreerd.’ Onlangs nog presenteerde Varkens in Nood, samen met Milieudefensie, de veelbesproken Vleeswijzer.

‘Ik kijk er met bewondering naar hoe hij zaken op de agenda weet te krijgen’, zegt Niels Dorland van Dierenbescherming Nederland. ‘Hij komt met onthullingen, hij heeft een enorme slagkracht, een ongekende energie.’ Volgens Claudia Linssen, directeur van Bont voor Dieren, heeft Hans Baaij de dierenbescherming in Nederland ‘op een hoger plan gebracht’. ‘Door schrijvers, intellectuelen en wetenschappers erbij te betrekken. Voorheen werd alles op het sentiment gegooid. Hans heeft het intellectuele debat op gang gebracht. En hij is ontzettend creatief in het zoeken van media-aandacht. Bijvoorbeeld door het zoeken van spraakmakende ambassadeurs als Youp van ’t Hek.’

Hans Baaij is de zevende van een gezin van acht kinderen uit Heemstede. Zijn vader was fietsenmaker, zijn moeder was een Oostenrijkse. Baaij: ‘Ze was een economische vluchteling. Ze kwam tussen de oorlogen naar Nederland om werk te zoeken.’

Zijn ouders hadden een slecht huwelijk. Hans Baaij zorgde dat hij veel buiten speelde en ging direct na de middelbare school het huis uit, naar Amsterdam.

Volgens zijn oudere broer Henk had Hans wel ‘een goede band’ met zijn moeder. ‘Dat onbaatzuchtige in zijn karakter heeft hij van haar. Toen zij overleed, deed Hans haar boekhouding. Het bleek dat ze geld gaf aan 120 goede doelen.’

In de ogen van Henk Baaij was de ontmoeting van zijn jongere broer met Voskuil het logische eindpunt van een lange zoektocht naar ‘zijn ding’. Voor die tijd was hij, zoals Hans Baaij zelf zegt, vooral ondernemer. Als student richtte met vrienden en medestudenten de ‘audiovisuele club’ Mazzo op, in 1978, in Amsterdam. De Mazzo was van 1980 tot 1984 toonaangevend en roemrucht in Nederland, vanwege de integratie van kunst en uitgaan. In 1986 verkocht Baaij zijn aandelen en hield zich vervolgens bezig met minder voor de hand liggende zaken als het opzetten tandtechnische centra in Zuid-Europa. ‘Hans had kasten vol ideeën, hij was altijd aan het ondernemen’, zegt Michiel van den Bergh, vriend, oud-huisgenoot en medeoprichter van de Mazzo. ‘Hij heeft zelfs nog gehandeld in ijskasten.’

Al rond zijn 20ste was Hans Baaij een tijdje vegetariër en Van den Bergh herinnert zich ‘eindeloze discussies’ over of je door het niet eten van vlees het leed van dieren kunt verzachten. ‘Na vier uur waren we dan vooral heel erg dronken.’

Eind jaren tachtig werd Baaij door Grolsch gevraagd als uitbater van 2.200 vierkante meter horeca aan de Nieuwezijds Voorburgwal. De Wereld, zoals de discotheek en sociëteit ging heten, was het meest ambitieuze horecaproject dat Amsterdam ooit had gekend en het werd – om vele redenen – een dramatische mislukking. Binnen een half jaar ging de zaak dicht.

‘Hans was moe, teleurgesteld en hij voelde zich belazerd’, aldus levenspartner Leppink. ‘Hij was toen even niet zo dol op mensen.’

Zelf zegt hij zakelijk: ‘Ik ben toen fiscaal recht gaan studeren, want ik was niet tevreden over de advocaten die het faillissement hadden afgehandeld.’

Opeens zat hij hele dagen thuis. Te studeren, maar hij keek ook vaak naar Animal Planet. Erno Eskins: ‘Toen is hij zich ook druk gaan maken over dieren.’

Na zijn studie begon Baaij, als fiscaal jurist een succesvolle praktijk voor freelancers. En toen kwam Voskuil. Baaij noemt zich nog altijd ondernemer en het is waar, zegt zijn vriendin: ‘Hij runt Varkens in Nood als een bedrijf. Hij wil resultaten zien. Voor zijn medewerkers is dat weleens moeilijk. Hij gaat ervan uit dat zij precies weten wat hij in zijn hoofd heeft.’

Erno Eskens: ‘Het ontwapenende is dat hij dan achteraf zegt: ik kan ook helemaal niet managen.’

Aan kwalificaties over Baaij verder geen gebrek: ‘Koppig, stronteigenwijs, intelligent, gezellig, zakelijk, bevlogen, grappig.’

Hans Hopster, onderzoeksleider dierenwelzijn in Wageningen, zegt: ‘Als Hans meent dat hij iets heeft ontdekt dan rust hij niet tot hij het heeft uitgezocht. Varkens in Nood is een kleine organisatie die veel lawaai maakt. Maar Hans komt niet met valse aantijgingen. Wat hij zegt, is over het algemeen redelijk onderbouwd.’

Een voorbeeld van vasthoudendheid is zijn strijd tegen de biggencastratie. Sinds dit jaar moeten varkenshouders hun biggen verdoofd castreren, als tussenoplossing naar de volledige afschaffing van castratie. Hopster: ‘Hans vindt dan in München informatie waaruit blijkt dat het middel, verdoven, erger is dan de kwaal.’ Baaij kreeg de meeste supermarktketens zover dat ze geen vlees van gecastreerde biggen meer zouden afnemen. Tegen Ahold en C1000, die weigerden, begon hij een rechtszaak.

Dat inmiddels 700 duizend biggen per jaar niet meer worden gecastreerd, beschouwt Baaij als een van zijn grootste successen.

De varkenssector is minder enthousiast. ‘Het voelde als een dolksteek dat hij opeens zei: je kunt net zo goed meteen stoppen met castreren’, zegt Annechien ten Have, voorzitter van LTO-vakgroep Varkenshouderij. ‘We hadden met alle partijen afgesproken om verdoofd te castreren, het was voor het eerst in de geschiedenis dat supermarkten gingen betalen voor dierenwelzijn. En dan begint Hans Baaij opeens een andere campagne.’

‘Het is simpel’, zegt Baaij: ‘Het verdoven van biggen verdooft het geweten van de mens, maar het neemt de pijn en de stress bij de biggen niet weg. Het is de zoveelste onlogische actie om door te kunnen gaan met castreren. Daar doe ik dus niet aan mee.’

Baaij kreeg twee weken geleden gelijk van de mondiale organisatie van dieranesthesisten, die de Nederlandse praktijk expliciet veroordeelde.

Kritiek kwam er vorige maand ook op de onderbouwing van de Vleeswijzer. Maar minister Verburg van Landbouw moest erkennen dat haar adviesorgaan, het Planbureau voor de Leefomgeving, in een rapport over de milieubelasting van de vleesproductie, zich op dezelfde gegevens baseerde.

Hans Hopster: ‘Ach, je kunt zeggen dat het voor de consument verwarrend is dat in de Vleeswijzer dierenwelzijn en de milieubelasting in één ordening zijn ondergebracht. Dat kan de volgende keer beter.’

Zelf eet Hans Baaij een keer per week vlees, ‘en altijd biologisch. Ik doe het ook omdat ik niet te veel buiten de heersende maatschappij wil staan. En ik bestudeer mijn eigen mentale processen. Ik kom in slachterijen en bij varkenshouderijen. Hoe kan het dan dat ik toch af en toe vlees eet? Afsluitingsmechanismen zijn ook mij niet vreemd.’

Toch voelt hij zich er wel schuldig over, zegt Claudia Linssen. ‘Ik kwam hem eens tegen in een natuurwinkel. Hij kreeg een enorm rood hoofd en probeerde een pakje vlees weg te moffelen.’

Meer over