Om de goede naam van Duitsland

Na zich vele jaren doof te hebben gehouden, willen Duitse bedrijven nu dan toch de dwangarbeiders uit de Tweede Wereldoorlog compenseren voor het aangedane leed....

JARENLANG weigerden ze schuld te erkennen. Maar eindelijk willen gerenommeerde Duitse bedrijven als BMW, Daimler-Benz, Hoechst en Bosch nu geld betalen aan de dwangarbeiders die ze in de Tweede Wereldoorlog hebben gebruikt.

Viktor Vysjeslavski hoopt dat hij ervoor in aanmerking zal komen. Hij woont in Moskou, is invalide en kan het geld goed gebruiken voor medicijnen. 'Het zou voor mij een enorme hulp betekenen.' Maar de Russische dwangarbeiders twijfelen. Komt het fonds er wel op de beloofde datum van 1 september? Krijgen de Russen wel evenveel als de westerlingen? En wat krijgen dwangarbeiders die hebben gewerkt bij een fabriek die niet meer bestaat?

Dat laatste geldt waarschijnlijk voor Vysjeslavski. Hij werd in 1943 op 15-jarige leeftijd opgepakt in de Oekraïense stad Nikolajev en op transport gezet naar Duitsland. In Suhl werd hij tewerkgesteld in een kleine machinefabriek. Hij heeft de burgemeester van die stad onlangs aangeschreven om te weten te komen of de fabriek nog bestaat. Hij kreeg geen antwoord.

Op een dag in 1944 hoorde Vysjeslavski op een radio toevallig de frontberichten van het Rode Leger. In zijn enthousiasme vertelde hij erover aan zijn kameraden, en werd verraden. Enkele dagen later voerde de Gestapo hem af naar Buchenwald. 'Ik heb het toevallig overleefd', zegt hij.

Een jaar lang moest hij onder onmenselijke omstandigheden onder de grond werken. De gevangenen werden om vier uur gewekt en kregen dan hun voedsel voor de dag: een mok ersatzkoffie en een homp brood. Ze stierven bij bosjes. Later werd hij ingezet bij het zoeken naar onontplofte bommen. Na de bevrijding moest hij meteen het Rode Leger in, zodat hij pas in 1949 naar huis kon.

Nog steeds droomt Vysjeslavski 's nachts van dingen die hij in Buchenwald heeft gezien. Bijvoorbeeld hoe met een bijl de mond van bevroren lijken werd gespleten om er gouden vullingen uit te halen.

In 1993 kreeg hij van de Duitse staat 900 mark in het kader van de Wiedergutmachung voor Oost-Europese landen. 'Dat vond ik beledigend. Het was natuurlijk geld, maar het compenseert niet wat ik verloren heb.' Zou hij nu een bedrag van tienduizend mark krijgen, zoals de Russische slachtoffers van de Duitse bedrijven vragen, dan zou dat 'een echte erkenning zijn'.

Het ergste vond hij altijd dat de voormalige dwangarbeiders in het Westen meer kregen. Daar hebben ze in Rusland en andere Oost-Europese landen lang over ingezeten. De overgrote meerderheid van de acht miljoen dwangarbeiders die werden ingezet door de nazi's, kwamen uit Oost-Europa. Maar juist vanwege die grote aantallen gaan bij het opzetten van het compensatiefonds van de bedrijven stemmen op om de honderdduizenden voormalige Ostarbeiter minder uit te keren dan de westerse dwangarbeiders. Een mark is in Moskou veel meer waard dan in New York, is de redenering.

'Dat is toch immoreel. Als je de geschiedenis kent, weet je dat die westerse gevangenen onder veel betere omstandigheden werkten dan die uit het oosten', zegt Pjotr Margejev, een Russische jurist die bij het staatsorgaan 'voor Wederzijds Begrip en Verzoening' werkt aan de schadeloosstelling van oorlogsslachtoffers. 'Wie meer heeft geleden, krijgt nu minder.'

Maar, vindt Margejev, 'we moeten die Amerikaanse joden toch dankbaar zijn'. Want het is aan de slachtoffers in de VS en hun agressieve advocaten te danken dat de Duitse bedrijven eindelijk over de brug komen. In massale class action suits eisen ze van Duitse bedrijven miljoenen aan compensatie voor het verrichte werk en het aangedane leed.

De bedrijven die in de Tweede Wereldoorlog gebruikmaakten van dwangarbeiders hebben lang volgehouden dat het nazi-regime hiervoor als enige verantwoordelijkheid droeg. De dwangarbeiders wijzen er al jaren op dat de bedrijven intussen wel de winsten hebben opgestreken. Slechts een enkele firma, zoals het staalbedrijf Krupp, betaalde in de jaren vijftig schadeloosstellingen. Duitsland heeft sinds de oorlog al 104 miljard mark aan Wiedergutmachung betaald, een bedrag dat uiteindelijk zal oplopen tot 124 miljard, en wil het daarbij laten.

Maar nu, vlak voor de dwangarbeiders allemaal dood zijn, voelen de bedrijven zich gedwongen in actie te komen. Dat komt door verschillende factoren: sinds de Duitse hereniging is het juridisch mogelijk geworden de bedrijven voor het gerecht te dagen. Dat gebeurt op ruime schaal. Van de firma Degussa, die het goud uit de gebitten van Holocaust-slachtoffers zou hebben omgesmolten, wordt de overdracht van het totale bedrijfsbezit aan de slachtoffers geëist.

Ten tweede zijn Duitse bedrijven met belangen in de Verenigde Staten als de dood voor een boycot. In Duitse directiekamers wordt gekeken naar het lot van de Zwitserse banken, die onder Amerikaanse druk uiteindelijk een fonds van 1,25 miljard dollar hebben opgezet om slachtoffers te compenseren. Deutsche Bank wordt nu al geconfronteerd met het eigen oorlogsverleden. Duitslands grootste bank wil het Amerikaanse Bankers Trust overnemen, maar dreigt te worden gedwarsboomd door de machtige lobby van oorlogsslachtoffers.

Volkswagen en Siemens zijn er inmiddels toe overgegaan hun voormalige dwangarbeiders uit te betalen. Degenen die aanspraak willen maken op de tienduizend mark die Volkswagen uitkeert, moeten zich wenden tot KPMG, die de betaling uitvoert. Op een formulier moeten ze aangeven waar en wanneer ze gewerkt hebben. De claims worden beoordeeld door een onafhankelijke instelling die onder leiding staat van de voormalige leiders van Israël, Duitsland en Oostenrijk: Simon Peres, Richard von Weizsäcker en Franz Vranitzky. Volkswagen erkent hiermee geen juridische claims, maar maakt een 'humanitaire geste', zegt het hoofd van het bedrijfsarchief, Bernd Graef.

'Wat er gebeurd is, kan niet worden goedgemaakt, noch gecompenseerd. De tienduizend mark is een gebaar van goede wil om ons respect voor de slachtoffers uit te drukken.' Ongeveer driehonderd uitkeringen zijn reeds betaald, waaronder 76 aan Nederlanders. Volgens Graef krijgt het bedrijf heel wat bedankbrieven binnen. 'Voor Hollanders is het misschien weinig, maar in Oost-Europa is het een zeer welkome bijdrage.'

Graef zegt dat sinds de jaren tachtig bij Volkswagen 'op een heel andere manier naar de geschiedenis wordt gekeken'. Net als bij andere grote Duitse bedrijven bestudeert het bedrijfsarchief het eigen oorlogsverleden en geeft daar publicaties van gerenommeerde historici over uit. Graef geeft toe dat niet uitsluitend idealistische motieven in het spel zijn. 'Een wereldwijd opererende onderneming is terecht bezorgd om zijn imago.'

Zo bezien is de twintig miljoen mark die Volkswagen voor de dwangarbeiders heeft uitgetrokken, goed besteed geld. Jurist Klaus von Münchhausen, die voormalige dwangarbeiders helpt met het aanspannen van processen, wijst erop dat het bedrijf bij de introductie van de New Beetle op de Amerikaanse markt vijftig miljoen mark aan publiciteit uitgaf.

Von Münchhausen is een groot voorstander van het geplande compensatiefonds van de gezamenlijke bedrijven. 'Maar de industrie betaalt pas als ze weet dat rechtszaken tegen haar gewonnen kunnen worden.' Om de druk te handhaven, blijft hij processen aanspannen zolang het fonds er niet is. Maar de juridische weg is voor de dwangarbeiders ongunstig. De processen kunnen zo lang duren, dat de eiser de kans loopt dood te gaan voor er betaald wordt.

Onlangs vond Von Münchhausen de Nederlandse voormalige dwangarbeider Albert van Dijk (74) bereid een van de Duitse bouwbedrijven met een oorlogsverleden voor het gerecht te dagen. Van Dijk moest in dienst van het bedrijf een berg uitgraven voor de productie van V2-raketten, het beruchte buitenkamp Dora. De ene na de andere groep gevangenen uit Buchenwald werkte zich dood in de onderaardse gangen.Van Dijk leefde maanden onder de grond. Hij overleefde slechts doordat hij de doden moest registreren. Vaak merkte hij ze voor het gemak al een dag voor ze stierven. 'Je hoefde geen arts te zijn om dat te zien', zegt hij. Voor het geld hoeft Van Dijk geen proces te voeren. Als hij wint, of als het fonds hem uitbetaalt, zal het bedrag in mindering worden gebracht op zijn uitkering van de stichting '40-'45, verwacht hij.

De Duitse bedrijven willen in de toekomst gevrijwaard blijven van dit soort processen. Dat is hun inzet bij de onderhandelingen over het compensatiefonds, waarin ze gezamenlijk naar verwachting twee tot drie miljard mark zullen storten. 'Als de ondernemingen geen rechtszekerheid krijgen, doen ze niet mee. Ze willen natuurlijk niet dat ze twee keer moeten betalen', zegt een medewerker van Bodo Hombach.

Hombach is chef van de bondskanselarij en onderhandelt als vertrouweling van Gerhard Schröder over het fonds. De bondskanselier staat op het standpunt dat Duitsland genoeg aan Wiedergutmachung heeft gedaan en dat claims van dwangarbeiders een zaak van de bedrijven zijn. Toch heeft de regering het initiatief genomen tot het compensatiefonds van de bedrijven. Schröder wil het Duitse bedrijfsleven en de naam van Duitsland beschermen; een publiciteits-debacle als dat van Zwitserland moest worden voorkomen. Het fonds moet op 'snelle en onbureaucratische' wijze materiële compensatie bieden, zonder dat daarmee de juridische claims worden erkend.

Volgende week reist Hombach weer naar Washington, waar hij onderhandelt met de Amerikaanse regering, joodse organisaties en advocaten van oorlogsslachtoffers. Het grote struikelblok blijft de rechtszekerheid: de Amerikaanse regering kan niet garanderen dat er na de instelling van het fonds geen rechtszaken meer worden aangespannen. Door het gecompliceerde Amerikaanse rechtsstelsel lijkt het onmogelijk met zo'n fonds een streep te zetten onder het Duitse verleden. Volkswagen heeft ondanks alle humanitaire gestes nu weer te maken met een rechtszaak die wordt aangespannen door overlevenden uit een tehuis voor kinderen van dwangarbeiders.

Volgens Von Münchhausen zijn de dwangarbeiders in de Verenigde Staten big business. Het zou de Amerikaanse advocaten alleen om het geld te doen zijn. Hijzelf kreeg onlangs een aanbod van een Amerikaans advocatenkantoor om de vertegenwoordigingsrechten van slachtoffers tegen betaling over te nemen.

Maar advocaat Michael Witti uit München, die nauw samenwerkt met de Amerikaanse steradvocaat Edward Fagan, wijst de kritiek van de hand. 'Niemand werkt alleen voor het geld. Bij mij is het ook deels idealisme.' De harde aanpak van de advocaten is volgens hem nodig. 'Zonder agressie heeft het proces decennialang stilgestaan'. Als vertegenwoordiger van twaalfduizend eisers uit de VS en Israël is Witti op het hoogste niveau betrokken bij het overleg over het fonds. 'Iedereen hoopt dat het hierna eens en voor altijd voorbij is.'

Het is de bedoeling dat het compensatiefonds, met de naam Erinnerung, Verantwortung und Zukunft, wordt gesticht op 1 september, de zestigste verjaardag van de Duitse inval in Polen. Op initiatief van de Amerikaanse ambassadeur in Duitsland, John Kornblum, is de helft van het geld bestemd voor de 'toekomst', in de vorm van onderzoek, educatie en uitwisselingen. Dat zou de goodwill opleveren die de Amerikaanse slachtoffers zou kunnen overhalen af te zien van verdere rechtszaken.

Maar gezien de gebrekkige financiële armslag van het fonds is het de vraag of dat doorgaat. Critici wijzen erop dat drie miljard mark nooit genoeg is om alle voormalige dwangarbeiders uit te betalen. Toch beloofde Schröder onlangs in Polen nog dat de Poolse dwangarbeiders precies dezelfde behandeling zouden krijgen als de westerse. 'Zo'n fonds is altijd te klein, daar moeten we maar mee leven', zegt de medewerker van Hombach.

De lijst van bedrijven die zijn uitgenodigd deel te nemen, leest als een tophonderd van sterke Duitse ondernemingen. In de oorlog werkten bijna alle bedrijven met dwangarbeiders. Ook grote banken en verzekeraars hebben belangstelling getoond, hoewel die geen dwangarbeiders hebben ingezet. Ze hebben zich schuldig gemaakt aan het verduisteren van joodse tegoeden ('Arisierung') of kredieten verstrekt voor de bouw van concentratiekampen (Deutsche Bank).

De deelnemers aan het fonds willen in principe alleen betalen aan dwangarbeiders die voor hen hebben gewerkt. Daarom ziet de Duitse regering zich genoodzaakt toch ook nog een eigen fonds op te zetten. Daaruit kunnen de vele dwangarbeiders worden betaald die zijn ingezet bij de spoorwegen en andere overheidsdiensten.

Pjotr Margejev wacht in Moskou met ongeduld op de uitkomst van de onderhandelingen. 'Elke dag gaan er weer voormalige dwangarbeiders dood. We moeten opschieten, voor het te laat is. Het zijn oude mensen, die vaak heel ziek zijn. Veel van hen zijn na hun terugkeer als ''handlangers van het fascisme'' rechtstreeks van de Hitler-kampen in de Stalin-kampen terechtgekomen.'

Bij de Duitsers die al jaren strijd voeren tegen het bedrijfsleven, heerst wantrouwen over de langzame voortgang van de onderhandelingen. Ze verwijten de bedrijven uit te zijn op een 'biologische oplossing' van het dwangarbeidersprobleem. Alfred Hausser (68), zelf slachtoffer en woordvoerder van een Duitse vereniging voor dwangarbeiders: 'Hoe langer het duurt, hoe goedkoper het voor ze wordt.'

Volgens Hausser staan de dwangarbeiders door hun leeftijd in een zwakke positie ten opzichte van de bedrijven. 'Dat is ons nadeel, we moeten nu wel toehappen. We krijgen weinig, maar we kunnen niet langer wachten.' De bedrijven en de regering spreken over morele overwegingen, maar het is ze uitsluitend te doen om verdere rechtszaken in de Verenigde Staten te voorkomen, denkt Hausser. 'Het is geen kwestie van moraal, maar van kapitaal.'

Meer over