Nooit meer naar de Dam

De oud-vakbondsman wordt herinnerd als een gepassioneerde vechter voor de rechten van de werknemers. De laatste arbeider in de FNV-top....

Een sonore bas, doordrenkt van emotie: ‘Willen we naar de Dam, dan gaan we naar de Dam.’

Wie erbij was, wie het ooit gehoord heeft, staat het in het geheugen gegrift. Wie de beelden heeft teruggezien, staat het voor de geest. Het was de stem van Herman Bode, de oud-vice-voorzitter van de vakcentrale FNV. Bode overleed woensdag op 81-jarige leeftijd.

Het was 1980. Herman Bode, een beer van een vent, spreekt demonstranten toe. Het klinkt als een oproep tot revolutie, burgerlijke ongehoorzaamheid.

‘Dat was het niet’, zei Bode later. ‘Het was dinsdag 4 maart 1980. Dat weekend was er een krakersoproer geweest. De Vondelstraat was met tanks ontruimd. We dachten dat een demonstratie op de Dam daardoor kon ontaarden en we hadden die naar de RAI verplaatst. Maar de vijftienduizend mensen in de Amstelhal riepen om de Dam. Toen nam ik de beslissing toch naar de Dam te gaan. Als het mis was gegaan, was ik het haasje geweest. Begeleid door twee agenten ging de stoet de stad door. Geen wanklank, meneer. Indrukwekkend.’

Bode was fameus om zijn redes. In 1969 maakte hij daarmee al naam in Utrecht, bij metaalbedrijf Werkspoor. De fabriek lag plat als protest tegen de voorgenomen sluiting van een afdeling rollend materieel. Die zou achthonderd man hun baan kosten. Na weken onderhandelen, was er een akkoord. Een mede-onderhandelaar van de sociaal-democratische bond NVV die uitleg kwam geven, werd weggehoond als verrader. De katholieke vakbondsman Bode sprong op en nam het woord. ‘Ik heb toen gezegd: dit pik ik niet. Ik laat mij niet voor verrader uitkrijten. Ik ben een van jullie, ook een betaalde werker. We proberen de zaak anders aan te pakken, maar dan moeten jullie wel luisteren’, vertelde Bode later aan Vrij Nederland. De mannen luisterden en de volgende dag was de staking voorbij, het akkoord geaccepteerd.

Bode was een man van de werkvloer. Na de lagere school in Oldenzaal ging Herman Bode in 1939, 14 jaar oud, de textielfabriek in, waar ook zijn vader werkte.

Bode: ‘Ik begon als poetser en moest, liggend op mijn rug, de touwen stofvrij houden waarop geweven werd. Daarna werd ik knecht en moest ik met mijn vader achttien weeftoestellen bedienen. Toen mijn vader in de oorlog op zijn 50ste overleed, na 38 jaar in de textiel, kreeg mijn moeder zes gulden per week pensioen. Daar moest het gezin mee rondkomen. Zodra ik de kans kreeg, ging ik uit de textiel. Toen Oldenzaal bevrijd was, ben ik in dienst gegaan.’

Na de bevrijding meldde Bode zich als vrijwilliger voor het leger en werd hij uitgezonden naar Indië. Na terugkomst werd hij elektricien en hij werd actief in de katholieke vakbeweging. In 1954 werd hij, 28 jaar oud, ‘bezoldigde’ en kwam hij als betaald bestuurder in dienst van de bond. Daar verwierf hij landelijke bekendheid met zijn optreden bij Werkspoor.

Toen al had hij zijn lidmaatschap van de Katholieke Volkspartij, een van de voorgangers van het CDA, opgezegd. Tien jaar, van 1966 tot 1976, toen hij zich aansloot bij de PvdA, was Bode partijloos.

Hij klom op tot de top van het Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV), dat een fusie voorbereidde met de twee andere vakcentrales NVV en CNV. De christelijke centrale CNV haakte af, maar NKV en NVV richtten in 1976 de Federatie Nederlandse Vakbeweging, FNV, op. Een doorbraak in de arbeidsverhoudingen en een teken van ontzuiling. NVV’er Wim Kok werd voorzitter, NKV’er Wim Spit werd vice-voorzitter. Bij de volledige fusie die in 1981 volgde, werd Herman Bode vice-voorzitter.

Kok, Bode en Frans Drabbe, die het cao-beleid coördineerde, hadden een duidelijke rolverdeling. Kok, de intellectueel, Bode het gezicht voor de achterban, en Drabbe de strateeg.

Het was een taakverdeling die wonderwel werkte, al wordt Bode vooral door zijn redevoeringen herinnerd, terwijl hij de sociale zekerheid tot in de finesses doorgrondde. In 1985, bij zijn pensionering, was hij de laatste arbeider in de FNV-top. Zijn imposante verschijning, zijn manchesterpak en zijn gespierde taalgebruik maakten hem tot het prototype van de echte vakbondsman die op de werkvloer was begonnen. Na hem kwamen de gestudeerde types van de sociale academie en de universiteit aan het roer.

Het afscheid van de FNV betekende geen verdwijnen achter de gordijnen. Bode bleef actief. In organisaties als Disk bijvoorbeeld, het arbeidspastoraat, en ‘De arme kant van Nederland’. De oud-vakbondsman bleef een gevraagd spreker. Hij bleef misstanden hekelen. Over de excessieve salarissen in het bedrijfsleven kon hij zich vreselijk opwinden. Zoals ook de aanhoudende sanering van de sociale zekerheid het moest ontgelden. ‘Een moeder in de bijstand die moet gaan werken als de kinderen 5 jaar zijn? Schande.’ Bode was altijd bereikbaar, had immer een ongezouten, betrokken, gepassioneerde mening klaar. Recht uit het hart, zoals alles bij Bode.

De dood van zijn vrouw, en van een kleinkind, raakten hem hard. Tot hij weer rust vond met een nieuwe partner, uit de FNV, op een woonboot in Noord-Holland.

Meer over