Nederland? Dat schuift alleen papier heen en weer

De economische structuur van Nederland verandert. Industriële ondernemingen als Koninklijke Olie, Unilever, Nedlloyd, Philips en Hoogovens houden uitverkoop. De dienstverleners (banken, verzekeraars, Ahold) doen daarentegen groot inkopen....

'WIJ MAKEN bijna niets meer. Nog maar 6 à 7 procent van ons nationaal inkomen is fysieke output. Zelfs in industriële bedrijven is het leeuwendeel van de mensen bezig papier heen en weer te schuiven. Ze doen bijvoorbeeld marketing of research. Wie kan er 's avonds thuis nog trots zeggen: ik heb dit of dat product gemaakt.'

Guus Landheer is directeur innovatiemanagement bij het advies- en accountantskantoor KPMG. De deïndustrialisatie van Nederland is volgens hem op lange termijn een verontrustend verschijnsel. Nederland creëert steeds minder. Er worden bijna alleen nog diensten verleend. 'En dienstverlening is altijd de tweede fase. Eerst bedenk je iets. Daarna zoek je via uitzendbureaus mensen die het gaan maken en onderhouden. Dan moet het ook nog worden vervoerd en verzekerd. En natuurlijk is er catering nodig en misschien ook een krediet.'

Maar met echt ondernemerschap heeft dat volgens Landheer niet veel te maken. 'Als je niet iets met je handen maakt, dan zou je het met je hersens moeten doen. Maar ook de overstap naar de kennisindustrie heeft Nederland niet kunnen maken. We zijn handelaren, zowel in goederen als in diensten.'

De koele cijfers tonen een radicale verandering in de bedrijfsstructuur. In 1960 was nog 12 procent van de Nederlandse beroepsbevolking actief in de landbouw en visserij, terwijl 33 procent in de industrie werkte. In 1980 was nog maar 5 procent van de beroepsbevolking actief in de landbouw en visserij en 24 procent in de industrie. Nu werken volgens de laatst beschikbare cijfers van het CBS op een beroepsbevolking van 6,4 miljoen Nederlanders nog maar 225 duizend mensen in de landbouw en visserij (3 procent) en ruim één miljoen (16 procent) in de industrie.

Het betekent dat driekwart van de Nederlanders diensten verleent: in winkels, handel, vervoer, horeca, onderwijs, gezondheidszorg of overheid. Alleen het bank- en verzekeringswezen (inclusief zakelijke dienstverlening zoals makelaars en accountants) telt in Nederland al bijna meer werknemers dan de hele industrie.

De dienstverlenende bedrijven zijn ook op de beurs al vele jaren de belangrijkste groeiondernemingen. Financiële concerns als Aegon en winkelbedrijven als Ahold voeren de laatste jaren de ranglijsten van grote stijgers aan. Van de totale beurswaarde van de Nederlandse NV's (1090 miljard gulden) komt inmiddels 30,7 procent voor rekening van banken en verzekeraars. Veertig jaar geleden (toen de beurswaarde van de Nederlandse NV's niet meer was dan vijftig miljard) was dat volgens het CBS niet meer dan 5 procent. Het belang van de traditionele handel en industrie, inclusief Koninklijke Olie, in de totale beurswaarde is gedaald van 90 naar 48 procent.

De dienstverlening is daarentegen geweldig aan het expanderen. De beurswaarde van Ahold, dat onlangs zijn zesde Amerikaanse winkelketen kocht, is in twintig jaar bijna 250 keer zo hoog geworden. Hetzelfde geldt voor Aegon dat begin deze maand voor

19 miljard gulden een verzekeraar in Amerika kocht.

Koos Andriessen, die zich als minister van Economische Zaken intensief met industriepolitiek bezighield, vindt dat het beeld van een snel in elkaar zakkende industriële sector wel enigszins moet worden gecorrigeerd. 'Het is een feit dat de dienstensector nog altijd toeneemt en de industriële sector krimpt. Maar we moeten ons niet te veel blindstaren op de grote bedrijven. Nederland heeft binnen het midden- en kleinbedrijf zeker nog een florerende industriële sector.'

H.W. de Jong, emeritus hoogleraar industriële organisatie, vindt echter dat de veranderingen in Nederland radicaler zijn dan in andere landen. 'Wereldwijd zijn industriële waarden aan het inklinken, omdat de markten niet meer groeien. In Nederland gebeurt dit versneld.'

Voormalig Stork-topman jonkheer mr Feyo Sickinghe denkt dat een gebrek aan een grote thuismarkt een van de oorzaken is. 'In grotere landen als Duitsland, Japan en ook Frankrijk is de industriële sector veel sterker.' Sommige buitenstaanders merken dit na een kort bezoek aan Nederland al feilloos op. 'Als je in Duitsland of Groot-Brittannië over de weg rijdt, zie je met de regelmaat van de klok grote opleggers met zwaar transport. In Nederland zie je alleen dichte vrachtwagens rijden die fruit, speelgoed en wat al niet meer vervoeren. Er lijken wel geen kapitaalgoederen te worden gemaakt.'

De Jong denkt niet dat de kleine thuismarkt de enige oorzaak is voor het snel kleiner worden van de industriële sector. Er is in tegenstelling tot omringende landen ook te weinig innovatie binnen de industrie zelf. Het Duitse concern Mannesmann, vroeger een producent van buizen, is nu vooral actief in de telecommunicatie. Preussag, een staalfabrikant, verkoopt nu reizen.

De Jong: 'De Nederlandse zuivelfabrikanten verkopen vooral massa-kazen als Goudse of Leerdammer. Daarop zijn de marges gering. De Franse kaasfabrikanten zoals BSN verkopen speciale kaasjes met een veel grotere toegevoegde waarde. Je hoeft je dan niet af te vragen wie er beter voorstaat.'

Schaalgrootte kan in De Jongs ogen ook geen excuus zijn. 'Andere niet zo grote landen als Zweden en Zwitserland hebben wel degelijk grote toonaangevende stukken industrie', merkt hij op.

Een belangrijkere oorzaak is volgens De Jong mogelijk het gebrek aan technologische traditie en daardoor aan vakmanschap. De Nederlandse opleidingen zijn niet gericht op de industrie. 'En dan gaat het niet in de eerste plaats om de ingenieurs. Als je in Duitsland bij een industrieel bedrijf komt, zie je hele klassen jongeren dagenlang frezen. Dat lijkt dan vervelend werk, maar na twee weken beheersen ze het kunstje wel. In Nederland zie je zoiets zelden.'

'Het is zeker waar dat de vakopleiding in Duitsland op een hoger niveau staat. Nederlanders hebben nu eenmaal altijd een hekel gehad aan de lopende band', constateert Andriessen. Landheer van KPMG zegt dat Nederland nooit een industriële traditie heeft gehad. 'Wij kenden geen houtindustrie zoals Finland of een zware industrie zoals het Roergebied. Wij deden aan land- en tuinbouw. En als we dat niet deden, gingen we handelen. Dat gebeurt al sinds de VOC.'

OOK ANDRIESSEN betoogt dat Nederland nu eenmaal een handelstraditie heeft. 'Zelfs België heeft meer industrie gehad dan Nederland. Concerns als Koninklijke Olie en Unilever waren van oorsprong eigenlijk eveneens handelsbedrijven. We zijn een handelsland.' De industrie is daardoor altijd al een beetje het stiefkindje geweest van de Nederlandse economie. Nu die sector ook nog stagneert, valt dat extra op.

De Jong vindt deze ontwikkeling echter gevaarlijk. 'In de S-curve zit de industrie nu helemaal bovenin. Die stagneert of gaat achteruit. De financiële sector zit daaronder. Die groeit nog altijd, maar de groeimogelijkheden worden al minder uitbundig. Over tien jaar is de concentratie daar voltooid. Gespecialiseerde aanbieders als F. van Lanschot Bankiers of Friesland Bank zouden het de grote spelers dan best moeilijk kunnen maken. In 2010 zullen ook de financiële conglomeraten daardoor aan het einde van de groeifase zitten. En wat dan?'

Misschien zal Nederland zich dan nog eens achter de oren krabben. Een nieuwe basis is er niet. De IT-sector - 'en daar reken ik dan ook de telecommunicatie onder', aldus De Jong - zit helemaal onderin de S-curve. 'Daar zal nog jaren sprake zijn van reuzengroei. Maar in die sector speelt Nederland juist geen grote rol. Andriessen: 'We dachten even Baan te hebben, maar dat is weer weg. Overigens hoeven we daarover niet in paniek te raken. We hebben ook hier misschien niet veel grote bedrijven, maar wel veel kleintjes. En wat dacht u van Duitsland? Die spelen in de IT ook internationaal nauwelijks een rol.'

Duitsland heeft volgens Landheer echter het voordeel van de industriële traditie. 'Bovenop de huidige S-curve komt weer een nieuwe curve. En daar zal de industrie direct weer onderaan beginnen', vermoedt hij.

Landheer is vooral verontrust over het gebrek aan ondernemersgeest in Nederland. 'Wij zijn geen vernieuwers. We willen doen wat we nu doen. Dat is al gek genoeg. Vergelijk dat eens met de ondernemingsdrift van de Amerikanen. In de IT-sector zijn daar bedrijven gevormd als Microsoft en Dell die alle traditionele multinationals hebben voorbijgestreefd. Maar het is niet beperkt tot de informatietechnologie. In de Amerikaanse uitvaartsector hebben grote aanbieders, de zogenoemde McDeath's, een tot voor kort nog geheel versnipperde markt een heel nieuw aanzien gegeven.'

De Jong looft eveneens de geweldige innovatiekracht van het Amerikaanse bedrijfsleven. 'Een bedrijf in de buurt van New Foundland is begonnen met water te winnen van ijsbergen, las ik onlangs. IJsbergen worden daar in stukken gehakt en ontdooid, het water wordt gebotteld en als het zuiverste water ter wereld voor vijf gulden per fles verkocht.'

Volgens Landheer zouden de industrie en het bankwezen in Nederland juist hand in hand moeten gaan. 'Maar de financiële instellingen bemoeien zich niet met industriebeleid. In Duitsland en Frankrijk geven de banken hun eigen industrie een steuntje in de rug. De Nederlandse banken vinden dat hun taak niet.'

De sterke internationalisatie van het Nederlandse bedrijfsleven speelt daarbij een rol. Dat een hoofdkantoor van een bedrijf in Nederland staat, zegt lang niet alles. In Nederland ligt voor ondernemingen als Ahold, Aegon en ABN Amro niet langer het zwaartepunt, zoals ook Koninklijke Olie en Unilever vooral buitenslands opereren.

Meer over