Mythen rond armoede

Tien jaar geleden, in de Troonrede van 1995, werd armoede officieel tot maatschappelijk probleem verklaard. Sindsdien lijkt er weinig verbeterd, afgaande op berichten over voedselbanken, weggeefwinkels en het groeiend aantal mensen dat met grote schulden kampt....

Toch is die indruk niet helemaal terecht, blijkt uit recent onderzoek,zoals de Armoedemonitor van het Sociaal en Cultureel Planbureau en hetCentraal Bureau voor de Statistiek. Weliswaar is het percentage huishoudensmet een laag inkomen - gedefinieerd als het voor inflatie gecorrigeerdeequivalent van een bijstandsuitkering in 1979 - de afgelopen jaren gestegentot 10,5, maar dat komt vooral door de kwakkelende economie. In een watbreder perspectief is het beeld gunstiger: in 1994, vlak voor deeconomische hausse, leefde 16 procent van de huishoudens van een laaginkomen, in 1985 was dat zelfs 22 procent. Langdurige armoede - meer danvier jaar leven van een laag inkomen - is sinds de jaren negentig ongeveergehalveerd.

Dat alles neemt niet weg dat er een behoorlijke groep mensen is diegrote moeite heeft rond te komen. Het huidige kabinet voert, anders danPaars, geen specifiek armoedebeleid. Wel neemt het maatregelen terbestrijding van de zogeheten armoedeval - het verschijnsel datuitkeringsgerechtigden huursubsidie en andere voordelen kwijtraken als zijgaan werken. Dat past in een neoliberaal beleid waarin werklozen en andereinactieven met wantrouwen worden bekeken. Zij zouden niet willen werkenomdat een uitkering hen minstens even veel oplevert. De Armoedemonitorrelativeert echter de betekenis van deze armoedeval. De meeste mensen komenniet aan het werk vanwege hun leeftijd, opleiding of andere kenmerken diehet slecht doen op de arbeidsmarkt. Ook is het aantal 'werkende armen' delaatste jaren toegenomen.

Vanaf de jaren tachtig is de verzorgingsstaat fel bekritiseerd. Een deelvan die kritiek was terecht. Mensen werden te snel zielig gevonden,hetgeen passiviteit in de hand werkte. Maar de critici hebben hun eigenmythen gecreëerd. Als de voorzieningen maar sober genoeg zijn, zoudenmensen vanzelf aan het werk gaan. Dat geldt echter lang niet voor iedereen.Wie een dynamische samenleving predikt, met meer onderlinge concurrentie,moet niet verbaasd zijn dat er ook uitvallers zijn. Die verliezers, zij die niet in staat zijn zich zelfstandig te handhaven, moeten wordengesteund.

De 'koopkrachtplaatjes' suggereren vaak een schijnexactheid waar hetde inkomenseffecten betreft. Nochtans is het van belang de koopkracht vande laagste inkomens op peil te houden. Een voor de hand liggendemogelijkheid daartoe is een ruimhartiger toekenning van de bijzonderebijstand, waarmee eenmalige uitgaven kunnen worden gefinancierd.Reageren? volkskrant.nl/commentaar

Meer over