Mijnwerkers in onherbergzaam Ningxia worden bij duizenden afgedankt China stelt geen prijs meer op offers van de Culturele Revolutie

Net als andere jeugdige idealisten in de jaren zestig gaven Chen Yi en Lu Wencai gretig gehoor aan de oproep van voorzitter Mao Zedong om het binnenland van China te industrialiseren....

Van onze correspondent

Toine Berbers

SHIZUISHAN

'In die dagen luisterde iedereen nog heel goed naar de leider', zegt Lu. De pioniersgeest van de Culturele Revolutie overwon het barre klimaat en duizenden mijnwerkers-in-spe volgden het tweetal naar het afgelegen noordwesten. Ze waren maar wat blij met de naam van de nieuwe onderneming: 'Bewaak Mao Zedong Steenkolenmijn.'

Dertig jaar later zwaait het duo er nog steeds de scepter. Maar het bevlogen jargon van toen heeft plaatsgemaakt voor kil rekenwerk. Met verhandelingen over ontslagen, het opvoeren van de winst en een gang naar de beurs klinken Chen en Lu of ze net een opleiding bedrijfskunde achter de rug hebben.

Overal in China proberen managers van hun arbeidskrachten af te komen. Onder leiding van de dynamische premier Zhu Rongji moet de jongste fase van de hervormingen logge staatsbedrijven omtoveren tot afgeslankte en concurrerende ondernemingen. Maar voor de arbeiders die zich door de propaganda van de Culturele Revolutie naar Ningxia hebben laten lokken, is dit een bittere pil. Zij dachten het land een dienst te bewijzen met hun opoffering en nu worden ze als oud vuil aan de kant gezet.

Mao vreesde een oorlog met de toenmalige Sovjet-Unie of de Verenigde Staten, waarbij de dichtbevolkte kustprovincies onder de voet gelopen zouden worden.

Hij hevelde een deel van de industrie over naar het afgelegen en dunbevolkte westen. De duizenden fabrieken en mijnen die toen werden gesticht, kampen nu met een teveel aan personeel, zijn hopeloos inefficiënt en liggen te ver van de bewoonde wereld. De ontginning van delfstoffen in Ningxia biedt emplooi aan ruim honderdduizend kompels, maar het mijnbureau in de provinciehoofdstad Yinchuan schat dat zestigduizend van hen overbodig zijn. De meeste bedrijven winnen bruinkool, dat ook in China verouderd begint te raken .

De Mao-mijn in Shizuishan, het noordelijkste puntje van Ningxia, heeft geluk: de vette, zwavelvrije steenkool uit het Helanshan-gebergte is van zo'n hoge kwaliteit dat 30 procent van de productie wordt geëxporteerd. Trots vertellen Lu en Chen dat ze hun kool zelfs aan het verre Nederland verkopen.

De mijn ligt als een burcht op de ongenaakbare hellingen. Kobaltblauwe vrachtwagens met grote donkergrijze brokken in hun laadbak hobbelen omlaag naar de uiterwaarden van de Gele Rivier . Daar begint de dagenlange reis per spoor naar de havens in het oosten.

Ook de renderende Mao-mijn schuift personeel aan de kant. De afgelopen tien jaar is het bestand ingekrompen van tienduizend naar vierduizend man en de komende maanden moeten nog eens vijfhonderd mensen vertrekken. 'Het is niet anders', zegt directeur Chen kortaf. 'Er is geen tijd te verliezen, anders gaan we kopje onder.' Chen kankert op de strenge arbeidswetgeving die ontslagen bemoeilijkt. Lu vertelt hoe ze hun toevlucht nemen tot een strikte handhaving van de regels. 'Op overtreding staat ontslag. Het is de enige manier om mensen kwijt te raken.'

'Het moet in drie jaar voor elkaar zijn,' zegt Chen . Opnieuw bauwt hij leuzen van het centrale bewind in Peking na: de termijn van drie jaar is afkomstig van premier Zhu. Een botte sanering stuit in Peking evenwel op steeds meer weerstand. Berichten over sociale onrust in het noordoosten en de angst voor miljoenen werklozen remmen het tempo van de hervormingen.

Daarom blijven er, tot ongenoegen van het leidend duo in de Mao-mijn, barrières tegen ontslag bestaan en wordt er naarstig gezocht naar andere uitwegen. Het provinciale mijnbureau in Yinchuan heeft van Peking toestemming gekregen om werk te creëren in andere sectoren, vertelt Wu Zhunyong, de directeur.

Het moderne ondernemerschap bevalt Wu duidelijk. Verlekkerd schetst hij hoe het mijnbureau zich heeft gestort op de levensmiddelenindustie, de papierfabricage, landbouw en veeteelt, goederen en diensten en - heel voorspelbaar in het China van 1998 - onroerend goed. Het enige verband met de mijnen is dat ze stroom krijgen uit een kolengestookte centrale.

Wu hoopt op deze manier het aantal mijnwerkers in het district Shizuishan terug te brengen van 35 duizend naar 15 duizend. Het enige probleem is nog dat de meeste nieuwe fabrieken met verlies draaien. Zonder de winsten van de Mao-mijn en enkele andere zou Wu zijn ondernemingszin drastisch moeten intomen.

Dat is de grote angst van Wang Biazuo. Na 26 jaar steenkool te hebben gebikt uit donkere gewelven, hoedt hij nu varkens in stinkende stallen . 'Ik heb geluk gehad', probeert Wang, met een blik op zijn chef Lu. 'Sommige ontslagen kompels hebben geen baan bovengronds gekregen.' Maar even later, als Lu buiten zicht is, durft Wang zijn twijfel over de toekomst te uiten. Want het varkensvlees wordt uitgedeeld onder de gezinnen van de mijn. 'Hoe kan deze boerderij ooit zonder verlies draaien', zucht hij.

Het probleem is ook van hogerhand gesignaleerd. De directie en het mijnbureau hebben besloten aandelen uit te geven. De stukken van de Mao-mijn zullen honderd miljoen yuan (25 miljoen gulden) opbrengen. Veertien procent wordt onder het personeel verkocht, dat volgens het directieduo staat te popelen.

De binnenstromende miljoenen houden de lappendeken van activiteiten in leven.

Directeur Wu van de provincie ziet in dat dit geen blijvende oplossing is. 'We moeten nieuwe industrie aantrekken.'

Net als gezagsdragers in andere delen van China droomt Wu van Japanse of Amerikaanse computerfabrikanten, die het oog op Ningxia laten vallen voor hun uitbreidingsplannen. 'We moeten banen scheppen, anders hebben we binnen de kortste keren een werkloosheid van 50 procent.'

Meer over