ANALYSE

Mijlpaal voor Nederland: geld lenen kost weer geld. Is dat goed of slecht?

Een belangstellende wordt door een makelaar rondgeleid tijdens een bezichtiging in Den Haag. De huizenmarkt komt bij een rentestijging mogelijk een beetje tot rust. Beeld ANP
Een belangstellende wordt door een makelaar rondgeleid tijdens een bezichtiging in Den Haag. De huizenmarkt komt bij een rentestijging mogelijk een beetje tot rust.Beeld ANP

Na twee renteloze jaren moet de Nederlandse overheid weer betalen om geld te lenen. Woensdagmiddag brak de toonaangevende rente op staatsleningen met een looptijd van 10 jaar door de nulgrens heen. Wie zijn de winnaars en de verliezers van die stijging?

Verliezer 1: Wopke Hoekstra

Voor het eerst sinds lange tijd gaat voor de Nederlandse staat de verplichte slogan voor kredietverstrekkers weer op: geld lenen kost geld. Begin januari bedroeg de toonaangevende rente op staatsobligaties met een looptijd van 10 jaar nog minus een half procent. Dat betekent dat een lening van 1 miljard euro de schatkist geen geld kost, maar een extraatje van 5 miljoen euro oplevert. Sindsdien is de rente aan het stijgen. Het nieuws dat de inflatie in de Verenigde Staten harder stijgt dan verwacht, gaf het laatste duwtje. Woensdagmiddag brak de Nederlandse 10-jaars obligatierente door het nulpunt heen.

‘Dat heeft alles te maken met de oplopende energieprijzen, de heropeningen van de economie en de Amerikaanse stimuleringsmaatregelen’, zegt obligatiestrateeg Jolien van den Ende van ABN Amro. ‘Door die biljoenen dollars die president Biden onder andere in de infrastructuur pompt, houden beleggers rekening met een hogere inflatie in de VS.’ Om zulke prijsstijgingen te beteugelen, zouden centrale banken, zoals de Federal Reserve, de rente moeten verhogen. Daardoor wordt het duurder voor overheden om zich in de schulden te steken.

Die ontwikkeling is op de eerste plaats pijnlijk voor demissionair minister van Financiën Wopke Hoekstra – en met hem de Nederlandse belastingbetaler. Mede door de coronacrisis denkt de regering alleen al dit jaar 55 miljard euro te moeten lenen op de kapitaalmarkt. Daarvan is ondertussen de helft opgehaald. Zou Nederland voor de rest van die leningen een half procent meer rente moeten betalen, dan kost dat de schatkist meer dan 100 miljoen euro extra.

Verliezer 2: Huizenkopers

In het kielzog van de staatsobligaties kan ook de hypotheekrente stijgen. Op dit moment betalen huiseigenaren historisch weinig voor hun lening. De gemiddelde hypotheekrente is gezakt naar 2,5 procent, blijkt uit cijfers van De Nederlandsche Bank. Vijf jaar geleden was dat nog bijna 3,9 procent. Op een hypotheek van 3 ton scheelt dat jaarlijks ruim 4 duizend euro.

Doorgaans volgen de hypotheken de obligatierente. Toch schrikken banken, pensioenfondsen en verzekeraars vooralsnog terug voor een stijging van de tarieven. ‘Hypotheekverstrekkers zijn bang dat, als ze hun rente te veel verhogen, kopers weglopen naar concurrenten’, vermoedt Amanda Bulthuis van vergelijkingssite Rente.nl.

Een iets hogere hypotheekrente hoeft niet voor alle partijen op de woningmarkt slecht uit te pakken. Door de lage maandlasten konden huizenkopers de afgelopen jaren steeds grotere bedragen neertellen. De gemiddelde verkoopprijs bedraagt inmiddels 385 duizend euro. Wordt vastgoed als gevolg van een hogere rente minder betaalbaar, dan zullen de prijzen trager stijgen. Dat kan gunstig zijn voor starters en voor huurders.

Winnaar 1: Pensioenfondsen

Eind december was het nog spannend: zouden de uitkeringen van gepensioneerden massaal verlaagd worden? Inmiddels schijnt de zon bij de pensioenfondsen. Dankzij de hogere rente is hun gemiddelde dekkingsgraad gestegen naar 109 procent, becijfert pensioenadviseur Aon. Dat betekent dat zij voor elke euro aan toegezegd pensioen er 1,09 in kas hebben. Het leeuwendeel van de fondsen is daarmee uit de gevarenzone.

Zou de huidige trend doorzetten, dan kunnen sommige pensioenen op den duur zelfs weer meestijgen met de prijzen. Dat was het afgelopen decennium zelden het geval. Bij ABP, het grootste pensioenfonds, is deze zogenoemde ‘indexatie-achterstand’ al opgelopen tot bijna 20 procent. Tot de eigenaardigheden van het huidige stelsel behoort overigens dat de betere financiële positie van de pensioenfondsen gepaard gaat met lagere beleggingswinsten. De oude, lager renderende obligaties die zij bezitten worden namelijk minder waard als de rente stijgt. Neem opnieuw ABP. Dat boekte vorig jaar een rendement van 6,2 procent. In de eerste drie maanden van 2021 was dit slechts 1 procent. Het Pensioenfonds Zorg en Welzijn verloor zelfs 1,3 procent.

Winnaar 2: Financiële stabiliteit

In Amerika viel eind maart Archegos om. Het investeringsfonds van de steenrijke christen-kapitalist Bill Hwang gokte, deels met geleende miljarden, op koersstijgingen die niet kwamen. In Groot-Brittannië zorgde het bankroet van financier Greensill voor nervositeit. En in Nederland is er de gekte op de huizenmarkt.

De overvloed aan goedkoop geld, zo waarschuwden deskundigen de afgelopen jaren keer op keer, is een gevaar voor de financiële stabiliteit. Overal zijn de afgelopen jaren zeepbellen ontstaan. De aandelenbeurzen stapelen record op record. President Klaas Knot van De Nederlandsche Bank waarschuwt voor zombiebedrijven, die zonder de extreem lage rente allang failliet waren. De schuldenberg die overheden en bedrijven hebben opgebouwd, bedraagt inmiddels meer dan 355 procent van het mondiale bbp. Een rente op staatsschulden die niet langer negatief is, kan een eerste stapje terug naar normaal zijn. Dus ook: een stabielere wereldeconomie.

Zo ver is het nog lang niet. Het tijdperk van de negatieve rentes is allerminst voorbij, waarschuwt obligatiespecialist Van den Ende van ABN Amro. ‘Ik denk dat de hogere inflatie in de eurozone tijdelijk is. Er is weinig druk op de lonen, want er zijn nog genoeg mensen beschikbaar om te werken. Dit betekent dat ook de rente op Nederlandse staatsobligaties straks zomaar weer de omgekeerde beweging kan laten zien. Omlaag dus.’

Meer over