ColumnFrank Kalshoven

Meer geld voor leraren in achterstandswijken? Een soortgelijke bonus werd tien jaar geleden een fiasco

null Beeld

Minister Arie Slob van Onderwijs gaat werkenden op scholen met veel achterstandsleerlingen extra belonen, maakte hij deze week bekend. Het gaat om substantiële bedragen, variërend van 260 euro per maand voor een onderwijsassistent op een basisschool tot 600 euro per maand voor een schoolleider van een middelbare school. Vooralsnog gaat het om een tijdelijke bonus.

Op het eerste gezicht is het een goed idee. Maar werkt het ook echt? Dat is twijfelachtig.

Gelijk loon voor gelijk werk is een helder startpunt voor nadenken over beloning. En die regel impliceert dus: ongelijke beloning voor ongelijk werk. Op scholen met veel achterstandsleerlingen is het werken zwaarder dan op scholen met weinig achterstandsleerlingen, en dus is het logisch ook ongelijk te belonen.

Deze basislogica is zichtbaar in de praktijk. Omdat het ongelijke werk nu nog gelijk wordt beloond, stapt personeel van scholen graag over van een ‘zware’ naar een ‘lichte’ school. Anders gezegd: juist scholen met veel achterstandsleerlingen hebben moeite om voldoende (en kwalitatief goed) personeel te vinden.

Het plan van Slob sluit dus aan bij de arbeidsmarktlogica, al is het feit dat het vooralsnog gaat om een tijdelijke salarisverhoging wel een probleem. Mensen reageren namelijk anders op winst dan op verlies. Mensen zijn ‘verlies-avers’. Dit betekent dat de salarisverhoging nu met vreugde zal worden ontvangen, maar dat een gelijke salarisdaling over twee jaar een gevoel van verlies zal geven dat groter is dan de vreugde van vandaag. Misschien leidt de huidige verhoging tot behoud van mensen op scholen met veel achterstandsleerlingen, maar een verlaging over twee jaar zal dan leiden tot een exodus.

Los van de tijdelijkheid, zal de arbeidsmarktlogica van de salarisverhoging ook zichtbaar leiden tot resultaat? Misschien wel niet. Toen ik over Slobs voornemen las, moest ik direct denken aan de ‘Randstadbonus’, een extra beloning voor leraren in het voortgezet onderwijs die gebruikt is in de periode 2009-2014. Deze Randstadbonus volgde dezelfde logica, al was het doel in dit geval om leraren voor het onderwijs (in de dure Randstad) te behouden. Het ging ook in dit geval om substantieel meer geld, 17 procent meer loon, 7.200 euro per jaar voor betrokkenen.

Het Centraal Planbureau publiceerde er in 2015 een analyse over. Titel: Leidt een hogere beloning tot behoud van leraren in het voortgezet onderwijs? Dat is precies wat we willen weten.

Het antwoord van de auteurs is teleurstellend. ‘De belangrijkste bevinding van dit onderzoek is dat we geen effecten vinden van deze hogere beloning op de kans om leraar te blijven.’ De kans dat leraren werk zochten buiten het onderwijs, was en bleef 7 procent, zowel binnen als buiten de Randstad. Wel maakten iets minder leraren de overstap van een school binnen naar een school buiten de Randstad. Het ging om 125 minder overstappers op een totaal in de Randstad van circa 30 duizend. Aangezien de Randstadbonus zo’n 50 miljoen euro per jaar kostte, was de prijs per voorkomen overstapper vier ton. De Randstadbonus was dus een typisch geval van beleid dat zijn doel nauwelijks bereikte (het was niet effectief) en als gevolg hiervan ook liederlijk inefficiënt was.

Waarom werkte het beleid niet? De auteurs kunnen er alleen naar gissen.

In de brief die Slob deze week aan de Kamer stuurde, zocht ik naar zijn argumentatie waarom, gegeven de ervaringen met de Randstadbonus, zijn achterstandsleerlingbonus wél effectief zou zijn. Die argumentatie heb ik niet gevonden.

Frank Kalshoven is directeur van De Argumentenfabriek. Reageren? E-mail: frank@argumentenfabriek.nl.

Meer over