Liberalisering handel helpt zwakkeren

Tijdens de aanstaande onderhandelingen over de wereldhandel dreigen de EU en de VS hun landbouw opnieuw af te schermen voor producten uit de Derde Wereld....

OP 30 NOVEMBER beginnen in Seattle in het kader van de World Trade Organization (WTO) nieuwe onderhandelingen over liberalisering van de wereldhandel. De eerste meningsverschillen tekenen zich nu al af. De EU wil alleen praten over het opheffen van handelsbarrières als ook afspraken gemaakt worden over arbeidsomstandigheden, het milieu en de positie van de ontwikkelingslanden. De VS willen de gesprekken beperken tot liberalisering van de landbouw en de dienstensector.

Dat is jammer, want van de geïntegreerde aanpak die de EU voorstaat, mits die gepaard gaat met een veel grotere openheid dan tot nu toe gebruikelijk, zouden zowel de ontwikkelingslanden als het milieu groot voordeel kunnen hebben.

De Europese Commissie heeft van de EU-lidstaten het mandaat om namens hen de onderhandelingen te voeren. Op 27 oktober is Commissievoorzitter Prodi al naar Washington vertrokken om daar met president Clinton te praten over een gezamenlijke Europees-Amerikaanse opstelling. De EU en de VS verschillen nogal van mening over de reikwijdte van de onderwerpen die in de nieuwe akkoorden geregeld moeten worden.

Naar de mening van de VS zouden de gesprekken zich moeten beperken tot een aantal onderwerpen dat in de voorgaande (Uruguay-)ronde onderbelicht is gebleven, zoals markttoegang voor landbouwproducten en diensten. De EU zet in op een veel bredere benadering, waarin ook normen op het gebied van milieu, dierenwelzijn, arbeidsomstandigheden en de positie van ontwikkelingslanden aan de orde worden gesteld.

Beide partijen kiezen daarmee de uitgangspositie die voor hun belangen het gunstigst is. De VS, met hun grootschalige landbouw, zijn er het meest bij gebaat de onderhandelingen zo smal mogelijk te houden. Op die manier kan men makkelijker toegang afdwingen voor Amerikaanse producten die nu door de EU geweerd worden, zoals met behulp van hormonen geproduceerd vlees en genetisch gemodificeerde maïs en soja.

De EU tracht het afschermen en zwaar subsidiëren van haar landbouw te rechtvaardigen met het argument dat Europese boeren relatief hoge kosten maken als gevolg van de strenge eisen op het gebied van milieu- en consumentenbescherming. In werkelijkheid komt de meeste landbouwsteun terecht bij grootschalige, milieu- en dieronvriendelijke bedrijven en niet bij de kleine biologische boer die op een duurzame manier produceert.

Vooral de recente crises met dioxine, varkenspest en BSE hebben duidelijk gemaakt dat een grondige hervorming van het EU-landbouwbeleid onvermijdelijk is, en het verder openstellen van de Europese markt voor buitenlandse producten zal daar zeker deel van uitmaken. De brede benadering van de Europese lidstaten moet daarom mede gezien worden als een poging om in de WTO-onderhandelingen zoveel mogelijk wisselgeld achter de hand te hebben. Toch bestaat nu voor het eerst een kans dat de belangen van het milieu, de consument en de ontwikkelingslanden daadwerkelijk in vrijhandelsakkoorden worden meegenomen. Het zou jammer zijn als die kans onbenut zou blijven. Handelspolitiek is al veel te lang gedomineerd door de belangen van grote bedrijven en andere machtige marktpartijen.

Mislukken van de WTO-onderhandelingen, zoals door sommige ngo's en politieke partijen vurig gewenst wordt, betekent echter dat die status quo gehandhaafd blijft. En dat is al helemaal onwenselijk.

Zo is het Europese landbouwbeleid niet alleen schadelijk voor de belastingbetaler en het milieu, maar ook voor ontwikkelingslanden die hun producten trachten te exporteren. Importheffingen en andere restricties leiden ertoe dat de Europese markt voor hun producten onbereikbaar is, terwijl Europese landbouwproducten, tegen minder dan de kostprijs te koop dankzij de ruime exportsubsidies, op oneerlijke wijze met hen concurreren op de wereldmarkt.

De gevallen zijn soms schrijnend: Tanzania bijvoorbeeld ontvangt jaarlijks van Nederland 200 duizend euro als ontwikkelingshulp voor het ontwikkelen van een eigen zuivelindustrie. Het bedrag dat echter door de EU wordt uitgegeven om de export van (met name) Nederlands melkpoeder naar dit land te stimuleren, en waarmee diezelfde melkindustrie meteen weer om zeep wordt geholpen, is drie keer zo hoog.

Liberalisering van de wereldhandel is dus hard nodig, en veel ontwikkelingslanden staan daar ook helemaal niet zo afwijzend tegenover. Maar dat moet dan wel op zo'n manier gebeuren dat liberalisering inderdaad de kwaliteit van leven en de keuzevrijheid van burgers, waar ook ter wereld, ten goede komt. Subsidies en regelgeving dienen daarvoor niet te verdwijnen, maar moeten een ander doel gaan dienen.

Met name in de landbouw is overheidssteun te sterk gekoppeld aan het productievolume. Dit stimuleert een weinig duurzame, grootschalige en industriële productie. Het loskoppelen van productie- en prijsniveau, via door de overheid gegarandeerde minimumprijzen, leidt er bovendien toe dat het corrigerende effect van het marktmechanisme verdwijnt, met overproductie en dumping als gevolg.

Steun en marktregulering moeten daarom niet langer gericht zijn op kwantiteit en protectie, maar op kwaliteit en duurzaamheid. Het zal duidelijk zijn dat zwakkere partijen, bijvoorbeeld ontwikkelingslanden, maar ook de kleine, lokaal opererende biologische boer, meer recht hebben op steun, dan sterke industrielanden.

Het opheffen of verplaatsen van nationale en regionale (EU) steunmaatregelen wordt op dit moment echter belemmerd doordat iedere partij kan aanvoeren dat anderen - de Amerikanen, de Aziaten - hun industrie immers ook subsidie geven. De enige manier om ooit nog uit dit dilemma te geraken is dan ook een geïntegreerde, wereldwijde aanpak, en het is juist daarom zo belangrijk dat de wens van de EU-landen, om ethische principes onderdeel te maken van de WTO-afspraken, doorgang vindt. Daarbij is er één belangrijk obstakel: De invloed van gevestigde belangen en machtige pressiegroepen op de onderhandelingen is en blijft groot zolang die nog achter gesloten deuren gevoerd worden. Vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en andere belangengroepen reizen niet voor niets massaal af naar Seattle.

Volksvertegenwoordigers staan echter nagenoeg buitenspel. Zeker aan EU-zijde is de controle door parlementsleden op het verloop daarvan minimaal. Doordat de Europese Commissie de onderhandelingen voert zijn de nationale parlementen veelal slecht geïnformeerd, en, zoals zo vaak in EU-zaken, zich niet altijd bewust van het belang ervan. Het Europees Parlement is weliswaar goed geïnformeerd, maar ontbeert weer de macht om adequaat in te grijpen.

De transparantie moet daarom omhoog. Parlementen en NGO's dienen bij de onderhandelingen betrokken te worden, opdat het publiek kan kennisnemen van het verloop van de besluitvorming en de daarbij gehanteerde argumenten. In ieder geval dient de Tweede Kamer, voorafgaand aan de onderhandelingen, vast te leggen onder welke voorwaarden zij bereid is het eindverdrag te ratificeren.

Alleen door op die manier druk op de ketel te houden heeft een brede, ethische aanpak kans van slagen en dan nog zal het heel wat jaren van onderhandelen vergen voordat een enigszins bevredigende regeling bereikt is. Maar voor de uiterst milieu-onvriendelijke en a-sociale status quo is een transparante WTO die toeziet op een duurzame en stabiele wereldeconomie het enige alternatief.

Lousewies van der Laan is lid van het Europees Parlement voor D66. Dit artikel is een bewerking van een college dat zij onlangs gaf aan de Universiteit Nijenrode.

Meer over