‘Levend werk hou je langer vol’

Nederlanders moeten steeds langer doorwerken. Erg? Helemaal niet, vindt hovenier Jo Sloet (95). ‘Het zware werk komt niet meer aan de botten, zeggen we hier.’..

Ik werk elke dag ongeveer zes uur in de kwekerij van mijn zoon en in particuliere tuinen. Omdat ik van de zomer een longembolie heb gehad, doe ik nu alleen nog het lichte werk. Snoeien, planten oppotten. Ik werk alleen nog voor de gezelligheid. Mijn vrouw is twintig jaar geleden overleden, mijn latere vriendin drie jaar geleden. Ik hou niet van televisie, in dit lege huis zou ik me maar vervelen. Werken is veel fijner dan stilzitten.

Ik ben op mijn 14de begonnen in het bedrijf van mijn ouders, in 1924. We hadden een hoveniers- en bloemenzaak. In de zomer begon je om zeven uur ‘s ochtends en ging je door tot zonsondergang, zes dagen per week. ‘s Winters was het wel wat minder. Dan ging ik ‘s avonds naar de tuinbouwschool voor vakcursussen.

We deden veel tuinen van rijke fabrikanten, hier in Almelo. Alles ging met de hand. Om gras te maaien', moest je een machine rondduwen, bomen haalden we om met een trekzaag. We tilden flagstones van soms honderd kilo. Als we een klant in Rijssen hadden, twaalf kilometer van hier, dan liepen mijn vader en ik er met een kar vol materialen heen.

Zwaar? Ik wist niet anders. Kou en regen vond ik ook nooit erg. Ik denk dat ik er sterker van ben geworden. Nu gaat bijna alles machinaal. Het zware werk komt niet meer aan de botten, zeggen we hier.

Het begin van de oorlog was wel een moeilijke tijd. Ik had met mijn vrouw inmiddels een eigen zaak, ook met een bloemenwinkel erbij. Ons dochtertje was een jaar. Toen moest ik vechten op de Grebbeberg, en de tweede dag kreeg ik een granaatscherf in mijn hoofd. Ik heb weken in het Wilhelmina Gasthuis gelegen in Amsterdam, en mijn vrouw hoorde al die tijd niks. Toen ik terugkwam, waren mijn klanten door collega’s overgenomen, en die gaven ze niet terug. En niemand had nog behoefte aan bloemen. Maar ik kan dingen goed van me afzetten, ik maak ook nooit ruzie. Uiteindelijk heb ik de meeste klanten teruggekregen, door goed en hard te werken.

Het mooiste werk kwam vlak na de oorlog. Toen konden we ruime plantsoenen aanleggen bij bedrijven als Urenco en Cirex. Die grote bomen aan de Bornsestraat bij de Philipsfabriek heb ik geplant. En bij UCN heb ik twintig hectare gras aangelegd.

Mijn bedrijf werd groter, mijn zoon kwam erbij, ik had vier mensen in vaste dienst. Vlak over de grens, in Duitsland, heb ik een tuincentrum opgezet. Daar was ik elke zaterdag, dat liep ontzettend goed. Ik heb later ook huizen gekocht en opgeknapt, ik ben wel een zakenman, ja. Maar sinds 1980 is het hoveniersbedrijf van mijn zoon en ben ik bij hem in dienst.

De tuin is een modeartikel geworden. Ik vind het onzin dat mensen elk jaar iets anders willen. Het is net als met keukens, ze hebben er het geld voor en dan moeten ze met hun tijd mee.

Voor mij zit de waarde van een tuin in het ontwerp. Een mooie border, die blijft bloeien. In een tuin beleef je elk jaar iets anders, maar veel mensen zien dat niet. Ik geniet er elke dag van.

Zo vroeg als de mensen tegenwoordig met pensioen gaan, ik moet er niet aan denken. Van fabrieksarbeiders snap ik het wel. Elke dag boutjes aanschroeven is dood werk. Mijn werk is levend.’

Meer over