‘Kapitalisme leidt tot liefde en samenwerking’

De intelligentsia – links of rechts – mag graag afgeven op het kapitalisme. Het zou leiden tot cultureel verval. Econome Deirdre McCloskey neemt het voor de commercie op....

Van onze verslaggever Olav Velthuis

Vier boekwerken denkt ze nodig te hebben om de intelligentsia van haar gelijk te overtuigen. Vorige maand verscheen het eerste deel – vijfhonderd pagina’s dik (de dertig pagina’s lange literatuurlijst niet meegerekend). Maar de Amerikaanse econome Deirdre McCloskey wil haar boodschap desgevraagd ook best in twee zinnen samenvatten: ‘De markt maakt betere mensen van ons. Want het kapitalisme draait uiteindelijk niet om concurrentie, maar om samenwerking.’

Krijg dat er maar eens in bij de academici, de romanschrijvers en de kunstenaars die vol argwaan naar de markt kijken. ‘Zij zijn ervan overtuigd dat de markt mensen corrupt maakt, dat commercie onze cultuur aantast, of dat het kapitalisme alleen maar tot vervreemding en een gefragmenteerde samenleving heeft geleid. Voor de consumptiemaatschappij hebben ze al helemaal geen goed woord over.’

Als je hen vervolgens vraagt waar ze al die wijsheid vandaan hebben, dan blijkt de bron vaak – direct of indirect – Marx te zijn. McCloskey schudt haar hoofd. ‘Marx heeft in zijn hele leven nooit een stap in een fabriek gezet. Wat wist hij nou van een burgerlijk, werkend leven af?’

Niet alleen de linkse elite geeft af op de markt. ‘Ook conservatief rechts gelooft dat het kapitalisme zal leiden tot een verval van normen en waarden.’

Het eerste deel van haar magnum opus – titel: The Bourgeois Virtues. Ethics for an Age of Commerce (De burgerlijke deugden. Ethiek voor een tijdperk van commercie) – schreef ze grotendeels in Nederland. McCloskey, hoogleraar economie, Engels en geschiedenis aan de Universiteit van Illinois in Chicago, heeft ook een deeltijd-leerstoel aan de Erasmus Universiteit.

In haar appartement aan een Amsterdamse gracht hangen kleine stickertjes met woorden als ‘de rugleuning’, ‘de stoel’, of ‘de stande lamp’ op het meubilair. Zo probeert ze de Nederlandse taal onder de knie te krijgen. Een Amerikaanse recensent klaagde al over de vele etymologische verwijzingen naar de Nederlandse taal in haar boek.

The Bourgeois Virtues is gelardeerd met citaten uit romans, gedichten, films en filosofische traktaten die de minachting voor commercie moeten blootleggen. Naar een roman die de burgerman, de zakenman of de handelaar in een positief daglicht zetten, zul je in de moderne literatuurgeschiedenis lang moeten zoeken volgens McCloskey.

Op tv en in de bioscoop is het beeld al niet veel positiever. ‘Kijk bijvoorbeeld naar televisieseries als Dallas, waarin protagonisten als JR volledig gewetenloos worden geportretteerd. Of naar een Hollywood film als Wall Street, waarin een jonge, materialistische aandelenhandelaar koste wat kost de top wil bereiken.’

Een volstrekt eenzijdig beeld, vindt McCloskey. Volgens haar leidt het kapitalisme juist tot liefde. ‘Adam Smith schreef al dat de slager moet luisteren naar anderen, wil hij succesvol zijn. Andere 18de eeuwse denkers, zoals de Fransman Montesquieu, spraken over ‘‘zoete commercie’’: de markt zou mensen wel van hun onbehouwen manieren afhelpen.’ Want wie iets wil verkopen, zal zich aan zijn medemens moeten aanpassen.

Maar in de negentiende eeuw keert het tij. McCloskey: ‘Bij de Britse romanschrijver Charles Dickens zie je dat echt gebeuren. In zijn vroege romans steekt die nog de draak met iedereen, of ze nu arm of rijk zijn, van hoge of lage komaf. Maar in de latere romans, zoals Hard Times, krijgt vooral de zakenman het te verduren. De verhaallijn wordt dan steeds hetzelfde: een zakenman die langzaam tot het inzicht komt dat het gekkenwerk is om alsmaar calculerend door het leven te gaan.’

De ironie is dat de romantische kunstenaars en schrijvers die in de negentiende eeuw afgaven op het kapitalisme, zelf zonen en dochters waren van de nieuwe burgerij. ‘En zo is dat nog steeds’, constateert McCloskey misnoegd. ‘Onze samenleving is daardoor doordrenkt van zelfhaat. En dat is gevaarlijk.’

Gevaarlijk, echt? McCloskey is ervan overtuigd. ‘De Kenneth Lay’s (de ex-topman die Enron naar de ondergang fraudeerde) van deze wereld krijgen zo met de paplepel ingegoten dat het nu eenmaal bij commercie hoort om hebzuchtig te zijn. Zulke overmoedige topmannen zijn een gevaar voor de toekomst van het kapitalisme. Maar als je hen zou vragen waarom ze zich zo buitensporig gedragen, dan luidt hun antwoord: ‘‘Mijn economie-docent heeft mij dat zo geleerd.’’ Dit is nu eenmaal het beeld van de zakenman dat in onze samenleving bestaat.’

Maar de linkse elite is het niet alleen om de hebberige topman te doen. Maatschappijcritici zoals Barbara Ehrenreich, die een bestseller schreef over de ‘werkende arme’, maken zich vooral zorgen over de onderklasse. Die zouden onder mensonterende omstandigheden werk doen waarvoor nauwelijks iemand waardering heeft?

McCloskey: ‘Cijfers over arbeidstevredenheid laten zien dat het ook aan de onderkant van de arbeidsmarkt wel meevalt. Natuurlijk zouden ze daar niet staan als ze niet betaald kregen, maar voor zwarte jongeren uit de achterstandsbuurt Harlem in New York gaat McDonald’s over meer dan alleen het eindeloos bakken van hamburgers. Ze treffen daar ook hun vrienden.’

Andere cultuurcritici richten hun pijlen juist op de middenklasse, die door geraffineerde marketingstrategieën zou worden aangezet tot het kopen van steeds meer spullen waaraan ze eigenlijk geen behoefte hebben? McCloskey reageert lichtelijk geïrriteerd: ‘Het is erg onaannemelijk dat het zo makkelijk gaat. In dat geval zou het wel heel makkelijk zijn om een succesvol ondernemer te worden. Kijk eens wat er in werkelijkheid gebeurt. In Amerikaanse supermarkten worden jaarlijks tienduizend nieuwe voedingsmiddelen geïntroduceerd. Negen van de tien daarvan overleven niet. Als het zo makkelijk zou zijn om mensen te manipuleren, dan zouden zoveel producten toch niet mislukken?’

Bovendien: we mogen overspoeld worden door reclame, veel daarvan is volgens McCloskey niet manipulerend maar informerend bedoeld. Is dat nu echt het ergste wat er is op aarde?’

McCloskey begrijpt ook niet dat mensen – vooral Nederlanders hebben er volgens haar een handje van – zich zo kunnen opwinden over beleefdheidsfrasen die in winkels worden gebezigd. Is het echt zo erg dat Amerikaans winkelpersoneel How are you today? zegt, ook al weet je dat ze niet echt persoonlijk in je geïnteresseerd zijn? Zou het dan prettiger zijn als ze ‘‘wie denk je wel dat je bent, lazer op’’ tegen je zouden schreeuwen?’

Wat McCloskey doet denken aan Bulgaarse supermarkten ten tijde van het communisme. Daar stond bewapend bewakingspersoneel klaar: niet om de goederen te bewaken, maar om het verkooppersoneel te beschermen tegen de klanten, die razend werden vanwege het slechte serviceniveau.

Meer over