Kan Duitse en Nederlandse handelsoverschot lager?

Nederland en Duitsland moeten meer consumeren en minder exporteren, stelt de Brit Simon Tilford. Een vreemde eis, vinden andere economen.

Audi's en Volkswagens staan klaar voor de export in de haven van het Duitse Emden.Beeld Sean Gallup / Getty

Het is de bekende fabel van de krekel en de mier. De krekel sjirpt of zingt de hele zomer voor de nijvere mier die 'tuut-tuut' een voedselvoorraad aanlegt voor de winter. Als de krekel in de winter hongerig en koud wordt, wendt hij zich voor hulp tot de mier. Maar die weigert.

Duitsland en Nederland zijn de mieren. Griekenland is de krekel. Weliswaar hebben de twee landen Griekenland leningen verstrekt, maar ze doen volgens Simon Tilford, adjunct-directeur van het Center for European Reform in Londen, niets om de Grieken ook de mogelijkheid te geven die leningen af te lossen. Vorige maand legde hij in zijn analyse Wachten op Godot de vinger op de zere plek.

De oplossing van de eurocrisis vergt niet alleen hervormingen (minder loon, lagere overheidsuitgaven) in de zuidelijke probleemlanden, maar juist hervormingen (hoger loon en hogere overheidsinvesteringen) in de economisch sterke noordelijke landen, waaronder Nederland en vooral Duitsland. Zij brengen met hun hoge handelsoverschotten de zwakkere landen aan de bedelstaf en schieten zich ook zelf in de voet. De mier zal niet meer kunnen werken als de krekel niet meer zingt.

Reden zijn de overschotten die beide landen hebben op de lopende rekening van de betalingsbalans: het verschil tussen wat een land verdient en wat het uitgeeft. Duitsland had vorig jaar een overschot van 220 miljard euro (7,5 procent van het bbp) en Nederland van 65 miljard euro (bijna 11 procent van het bbp). Die overschotten worden opgepot: bij de bedrijven (die te weinig investeren), bij de particulieren (die te weinig consumeren) en in Duitsland ook al bij de overheid, die een begrotingsoverschot heeft.

Omdat de betalingsbalans per definitie in evenwicht moet zijn, wordt het overtollige kapitaal in Nederland en Duitsland naar het buitenland getransfereerd voor beleggingen of investeringen, terwijl die in eigen land hard nodig zouden zijn. Tilford: 'Hiermee dwingen Duitsland en Nederland andere landen geld te lenen en boven hun stand te leven. En dat is juist wat Duitsland een land als Griekenland verwijt.'

Concreet: Nederland en Duitsland lenen geld uit aan landen zoals Griekenland om hun spinazie en bierworst te kopen, terwijl hun eigen consumenten geen geïmporteerde slakken met Ouzo nuttigen, maar hun geld op een spaarrekening zetten. Zaak zou zijn de situatie om te draaien. De Nederlanders en Duitsers zouden meer moeten consumeren, zodat Frankrijk, Italië en Griekenland meer hiernaartoe kunnen exporteren.

Tilford staat niet alleen in die kritiek. Ook de Europese Commissie en het Internationaal Monetair Fonds bekritiseren deze onevenwichtigheid. De Europese Commissie acht een maximum handelsbalansoverschot van 6 procent van het bbp (gemiddeld genomen over drie jaar) acceptabel. Duitsland en Nederland zitten daar ver boven.

Traag

Tim Legierse, hoofd nationaal economisch onderzoek bij de Rabobank, zegt dat 'van landen als Nederland en Duitsland niet kan worden gevraagd hun handelsoverschotten te verminderen door bewust duurder en minder concurrerend te worden'. 'Dat is wel een heel vreemde eis. Logischer zou zijn dat de andere landen goedkoper worden door verhoging van de productiviteit en lagere lonen.' Maar, zo erkent hij, het nadeel is dat zoiets uitermate traag verloopt en een deflatoir effect heeft (de prijzen worden lager), waardoor de tekortlanden hun schulden moeilijker kunnen terugbetalen.

Legierse denkt dat loonstijging een oplossing is om de overschotten te verminderen. In principe zou dat vanzelf moeten gaan als de werkloosheid daalt en de arbeidsmarkt krapper wordt. Maar dat mechanisme werkt niet meer. 'Integendeel, in de race to the bottom voor een betere concurrentiepositie weten de ondernemingen de werknemers te bewegen met steeds minder genoegen te nemen. Dat blijkt het geval te zijn in de VS en Duitsland waar ondanks de forse dalingen van de werkloosheid de loonkosten niet stijgen', stelde hoofdeconoom Andrew Haldane van de Bank of England onlangs.

De flexibilisering van de arbeidsmarkt en de lagere uitkeringen leiden ertoe dat werknemers eieren voor hun geld kiezen en geen looneis meer durven te stellen. In landen als Duitsland en Nederland wordt nauwelijks meer gestaakt.

Tilford stelt dat als de markt niet werkt politiek ingrijpen nodig is. 'De huidige situatie is ook een gevolg van politieke maatregelen. Merkels voorganger kanselier Gerhard Schröder heeft door loonmatiging de concurrentiepositie van het land verbeterd.' Sinds 1999 zijn de reële lonen in Duitsland met gemiddeld slechts 4 procent gestegen. Eenderde van de Duitsers verdient zelfs minder dan zestien jaar geleden. Hierdoor is de particuliere consumptie gedaald en zijn de bedrijven in eigen land minder gaan investeren. 'Als de overheid dat zou compenseren met extra vraag was het nog niet zo erg geweest. Maar de Duitse overheid heeft de rem op de uitgaven (Schuldenbremse) gezet. Ook daardoor is het voor bedrijven niet interessant om te investeren.'

Tilford wil dat de Duitsland de binnenlandse vraag aanzwengelt met een loonsverhoging. Die moet veel verder gaan dan de invoering van het minimumloon. Tegelijkertijd moet fors worden geïnvesteerd in de infrastructuur die in Duitsland veel te wensen overlaat. Of, zoals Jeroen Dijsselbloem onlangs vaststelde: 'Als ik van Nederland achter in de auto de grens overga naar Duitsland kan ik de krant niet meer lezen.' De overheidsinvesteringen van Duitsland liggen niet alleen achter op die van Groot-Brittannië en Nederland, maar in procenten van het bbp ook op die van Italië en Frankrijk.

Tilford zegt dat hij 'het onderzoek heeft beperkt tot Duitsland, omdat dit land het grootste overschotland is'. Maar er zijn meer schuldigen aan het feit dat de economie in Europa uit zijn evenwicht is geraakt. 'Als je de overschotten van Nederland, Zweden, Zwitserland en Oostenrijk optelt, is dat bedrag gelijk aan dat van Duitsland.' Maar ook die landen weigeren de eigen economie te stimuleren.

Legierse vindt dat Duitsland en Nederland niet over één kam mogen worden geschoren. 'In Nederland zijn vooral bedrijven de drijvende kracht achter het spaaroverschot. Maar de vraag is hoe je bedrijven moet dwingen te investeren als de economische vooruitzichten niet goed zijn. Een loonsverhoging zou goed zijn. Maar geen algemene. De exportindustrie draait goed, maar het mkb (bouw, detailhandel) heeft nauwelijks loonruimte.'

Econoom Arnoud Boot is het daarmee eens: 'Nederland zit nog steeds opgesloten in het Akkoord van Wassenaar van begin jaren tachtig, dat toen een noodzaak was gezien het hoge arbeidsinkomensquotum. Werkgevers en vakbonden hebben elkaar gevonden in een stilzwijgend compromis daar niets aan te veranderen. De werkgevers krijgen het voordeel van de lage lonen en de werknemers van gelijke loonontwikkeling. Nodig is meer differentiatie waarbij het gemiddelde loonpeil omhoog gaat.'

Sinds 2010 zijn de lonen hier reëel met 5,4 procent gedaald, waardoor eveneens sprake is van vraaguitval. President Klaas Knot van De Nederlandsche Bank, toch niet de eerste die zich over dit onderwerp zou moeten uitspreken, zei twee weken geleden in Washington 'dat de kaspositie van bedrijven' loonstijging toelaat. Alleen zit er geen schot in. De FNV heeft in Nederland een looneis neergelegd van 3 procent (900 euro), maar tot nu toe hebben de bonden maar over zestig van de 550 dit jaar af te sluiten cao's een akkoord bereikt. De werkgevers spelen de bal door aan de overheid die via lastenverlichting de koopkracht maar moet verbeteren. Legierse: 'Daar is echter gezien de Europese begrotingsregels niet zo veel ruimte voor.'

Nederland en Duitsland vinden het langzamer laten draaien van de exportmotor een straf voor hun succes. Dat noemt Tilford kortzichtig. 'Het succes keert zich uiteindelijk tegen die landen. In Duitsland ligt de groei ver onder het historische gemiddelde. En de productiviteit stijgt nauwelijks meer. Als de lonen omhooggaan, voelen werkgevers meer de noodzaak de productiviteit te verbeteren. Bij de huidige lage lonen renderen investeringen in productiviteitsverbetering nauwelijks.'

Met de overschotten snijden Duitsland en Nederland zich ook op een andere manier in de vinger. Van de 1.500 miljard euro aan overschotten die Duitsland sinds 1999 over de grens heeft belegd en geïnvesteerd, is eenderde verloren gegaan door allerlei miskleunen en financiële crises. Het Duitse sparen is dus een zwaar verliesgevende aangelegenheid. Of, zoals Tilford zegt: 'Het geld in eigen land investeren zou veel productiever zijn geweest.'

Olijfolie

Ivan Moen, hoofd beleggingen van Optimix, zegt dat Griekenland zichzelf hiermee niet kan vrijpleiten. 'Ik ben voor hogere lonen en lagere lasten en vind dat er iets moet worden gedaan om de particuliere bestedingen in Nederland te vergroten. Maar dat kan je niet afdwingen. Dat de commissie de handelsoverschotten van Nederland en Duitsland te onevenwichtig vindt, is een tamelijk arbitrair oordeel. Griekenland en de andere landen in de periferie moeten zelf hun concurrentiekracht vergroten. Alleen met olijfolie red je het niet.'

Als Duitsland en Nederland hervormen, betekent dat niet dat Griekenland automatisch uit de problemen komt en een Grexit wordt voorkomen. Griekenland heeft een ander structureel probleem: het heeft te weinig om te exporteren. Hoogstens toerisme, schepen en landbouwproducten als olijven, kaas, perziken en krenten. Het land heeft een ander businessmodel nodig. Maar het zou kunnen voorkomen dat na Griekenland ook andere landen de eurozone zouden moeten verlaten.

'Helaas is het 'Wachten op Godot' ('Wachten tot sint-juttemis') voor Duitsland echt iets doet.' Volgens Tilford zijn hervormingen (loonstijgingen en hogere investeringen) voor landen als Nederland en Duitsland een win-winsituatie. 'Als Duitsland structurele aanpassingen doet, dan zal het de hele eurozone economisch een steuntje in de rug geven en de inflatie versterken. Dat maakt het voor andere schuldenlanden gemakkelijker om hun schuld af te betalen, ook aan Duitsland.' De krekel en de mier komen allebei de winter door.

Beeld de Volkskrant

Waarom geven we ons geld niet uit?

Consumptieve bestedingen zijn een van de beste manieren om de economische groei aan te zwengelen. Daardoor kunnen anderen producten maken. Maar juist consumeren doen we veel minder.

De koopkracht is verminderd
De reële inkomens of de koopkracht zijn na de crisis van 2008 fors gedaald. Mensen hebben minder te besteden. En dat geldt met name voor mensen met lagere inkomens die meestal een groter deel van hun inkomen consumeren dan mensen met hoge inkomens.

Te veel schulden
Jonge Nederlandse huishoudens hebben relatief veel schulden: 220 procent van het bbp. Dat komt vooral door het hypotheeksysteem. Als gevolg van de belastingaftrek van de hypotheekrente hebben Nederlanders zich dieper in de schulden gestoken om een zo mooi mogelijke woning te kunnen kopen. Dat breekt op als de huizenprijzen niet meer stijgen.

Angst voor de toekomst
Afgezien van de premier ('Koop dat huis, koop die auto!') zijn Nederlanders een tamelijk chagrijnig volk dat nogal bang is voor de toekomst. Er is toenemende vrees dat de pensioenen minder hoog zullen uitvallen en de AOW nog maar een schijntje zal zijn van die van vroeger. Door de veranderingen in het zorgstelsel willen mensen ook meer geld reserveren om later zelf zorg in te kunnen kopen.

Geld voor de kinderen
De kans van kinderen op vast werk en zekerheid is verminderd. Ouderen houden een appeltje voor de dorst achter de hand om hen bij te staan of ze schenken hun kinderen geld voor de aankoop van een huis of het volgen van een studie.

Producten zijn te goed geworden
De vervangingsvraag is minder groot dan tien of twintig jaar geleden. Enerzijds heeft dat te maken met het feit dat veel duurzame goederen (zoals auto's, koelkasten en televisies) kwalitatief beter zijn geworden. Anderzijds hoeven veel producten (boeken, films, muziek) niet meer te worden vervangen of geactualiseerd omdat ze via smartphones en tablets zo kunnen worden opgeroepen.

Bezitten is uit
Het materialisme vermindert. Daar zijn drie redenen voor. Door de vergrijzing is het aantal ouderen toegenomen. Zij geven relatief minder uit aan kleding, woninginrichting en eten en drinken. Daarnaast consumeert een deel van de bevolking minder uit overwegingen van duurzaamheid. Het wil daarmee de aarde sparen.

Voor veel jongeren is de status van bezit minder belangrijk geworden. Zij trekken niet meer naar buiten, maar blijven kleinbehuisd in binnensteden wonen waar minder ruimte is voor allerlei luxe (zonnebanken) of een auto voor de deur.

Meer over