columnpeter de waard

Is ‘historisch’ belastingakkoord reden voor optimisme, realisme of cynisme?

null Beeld

Het songfestival van twee weekeinden geleden was een historisch spektakel. De dag daarop boekte Nederland een historische overwinning tijdens de F1 in Monaco. En Almelo, zo meldde dagblad Tubantia, had een historisch besluit genomen met de bouw van een 21 miljoen euro kostend zwembad.

Historisch is bijna een even leeg begrip als fantastisch, magnifiek en briljant die de komende sportzomer honderden keren per dag zullen worden geuit. Het akkoord dat zeven grote industrielanden sloten over een minimum winst- of vennootschapsbelasting van 15 procent werd wereldwijd toch historisch genoemd. Optimisten zagen er een aanzet in voor de vorming van een wereldregering. Realisten denken dat daar voorlopig weinig van terechtkomt.

De internationale verdeeldheid is sinds het einde van de koude oorlog niet zo groot geweest. En landen zijn in deze tijd van mondialisering eerder op zoek gegaan naar meer soevereiniteit dan naar meer samenwerking. Veelbetekenend was dat het akkoord werd afgesloten in een land dat net met de Brexit een dikke middelvinger had opgestoken naar multilaterisme, juist ook omdat het eigen belastingheffing voorwaarde vindt voor een soeverein land.

Maar er is geen reden tot cynisme. Op dit moment laten multinationals 25 procent van al hun winsten - een biljoen dollar per jaar - in belastingparadijzen vallen, waar ze amper mensen hebben werken of producten verkopen. Daar moet iets aan gedaan worden.

Alleen is nu een oplossing gekozen die vooral past in de westerse, zo niet Amerikaanse koker. Vooral de VS zien met lede ogen dat hun techreuzen de winsten parkeren in belastingparadijzen als Bermuda in plaats van ze naar de VS te halen waar de hoofdkantoren zitten. Toen Frankrijk negen jaar geleden met een voorstel kwam voor een transactiebelasting (Tobin-tax) op kapitaalstromen, werd het door de VS meteen van tafel geveegd, terwijl het toch een veel effectievere manier was om kapitaalvlucht tegen te gaan.

Daarnaast moeten andere landen (van India tot Frankrijk) ook hun belastingen op digitale dienstverlening afschaffen. Verder is 15 procent een belasting van niks. In 1985 was de gemiddelde winstbelasting in de wereld 48 procent. In 2018 was het gehalveerd tot 24 procent. Nu gaan er nog eens 9 procentpunten vanaf.

Niemand weet of China, Rusland en Singapore meewerken, Zelfs in de EU zijn er dwarsliggers, zoals Ierland, Malta, Hongarije en Luxemburg. De G7 willen dat wat in het ene land te weinig wordt afgedragen, in andere landen met een extra heffing wordt gecompenseerd. Maar een verdeelsleutel is er niet. Ook lijken de ontwikkelingslanden er weinig aan te hebben, terwijl de winstbelasting daar goed is voor 16 procent van de totale belastinginkomsten tegen 8 procent in de rijke landen.

Historisch, zoals het zwembad in Almelo, is het alvast niet. Misschien over twintig jaar als er intussen geen president in de VS is geweest die akkoorden verscheurt.

Meer over