ColumnFrank Kalshoven

Is de inkomensverdeling een rechte streep?

null Beeld
Frank Kalshoven

Vorige week schreef ik, op gezag van de studie Inkomen Verdeeld, 1977-2019 van de Universiteit Leiden en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), dat de verdeling van het beschikbaar inkomen in Nederland al decennia een rechte streep is: de inkomensverdeling is stabiel.

Menig lezer mailde: maar Frank, de vermogensverdeling wordt toch steeds schever? Waarop ik antwoordde: dat doet aan de onveranderde inkomensverdeling niets af. Als ik schrijf dat er een gelijke hoeveelheid appels in omloop is, en u schrijft dat er meer peren zijn, dan klopt dat allebei (of kan dat kloppen, in elk geval).

Maar toen kreeg ik een mail van Jan Nelissen, econometrist en vrijgevestigd onderzoeker, die dwingt om hierover nog eens na te denken. Zijn punt (in mijn woorden): we tellen inderdaad de appels, en die blijven gelijk verdeeld, maar eigenlijk zouden we de hele fruitmand moeten tellen, appels + peren. En dat doen we niet.

Wat zijn appels? Oftewel: wat is het door Leiden en CBS getelde inkomen? Nou, wat er in de wet staat dat inkomen is, netjes volgens internationaal afgesproken statistische conventies. Dát inkomen is dus in Nederland al decennialang op dezelfde manier verdeeld.

Wat zijn dan de peren? Dat is inkomen dat buiten de wettelijke definitie valt. In wettelijke zin is het geen inkomen, maar je kunt er verder wel gewoon mee betalen. Dat klinkt raadselachtig.

Drie voorbeelden. Een ondernemer met een bv moet zichzelf loon uitkeren. Dat is inkomen; dat zijn appels. Daarbovenop maakt zijn onderneming winst. Zolang de ondernemer die winst niet uitkeert aan zichzelf is de winst geen inkomen van de ondernemer; het zijn geen appels. Het is vermogen van de onderneming; het zijn peren. De ondernemer kan zichzelf vervolgens die peren vanuit de onderneming uitlenen en ze oppeuzelen. Zijn fruitconsumptie in dat jaar is zo hoger dan zijn appelconsumptie.

Een mevrouw heeft honderd appels ingelegd in een beurs en het zijn er tweehonderd geworden. Tweehonderd appels? Nee, honderd appels plus honderd peren. Mevrouw kan de peren wel gewoon opeten. Een mijnheer heeft tien jaar geleden voor 250 appels een huis gekocht. Hij verkoopt het voor 500 stuks fruit, waaronder inderdaad, 250 peren. De peren zijn weliswaar geen inkomen, maar hij laat ze zich toch goed smaken.

Vermogensgroei (in de onderneming, op de beurs, in de eigen woning) behoort in principe niet tot het appelinkomen. In principe. Want boven een bepaalde grens, tellen we een verzonnen rendement op een aangelegde fruitvoorraad wel als inkomen (box 3). De ondernemer kan niet eeuwig peren blijven eten (box 2). En de huizenverkoper moest in de jaren dat hij eigenaar was van de woning een paar appels optellen bij zijn inkomen (box 1). Maar de hoofdlijn is: peren tellen niet mee.

Koen Caminada, een van de auteurs van de studie, herkent en erkent het punt van Nelissen. Tot zijn spijt, mailt hij, ‘lukt het sinds 2001 het de Nederlandse samenleving maar niet om het inkomensbegrip aan te passen. En dat inkomensbegrip staat centraal in onze studie.’ Fair enough.

Is het fruitinkomen óók een rechte streep? Waarschijnlijk niet, als je kijkt naar het opgepotte fruit in vennootschappen, de huizenprijsontwikkeling, de beursontwikkelingen en het particuliere vermogen van huishoudens. Het vermoeden moet toch zijn dat die peren vooral terechtkomen bij mensen die veel appels verdienen. Precies weten we het niet.

We moeten snel omschakelen van het appel- naar een fruitinkomen.

Frank Kalshoven is directeur van De Argumentenfabriek. Reageren?
E-mail: frank@argumentenfabriek.nl.

Meer over