Instituten van geduld en misschien een doorbraak

Industrie en onderzoeksinstellingen gaan intensief samenwerken in vier Technologische Topinstituten. Daar moet fundamentele research worden gedaan ten voordele van de deelnemers....

'HET IS te aanmatigend om jezelf ''top'' te noemen. Dat moeten anderen maar doen. We gebruiken nu de term leading institute. Ik zou blij zijn als we na een jaar of acht ''top'' worden genoemd', zegt dr. R. Selman van DSM. Ruim anderhalf jaar werkte hij aan een voorstel voor een technologisch topinstituut op het gebied van polymeren. Vorige maand werd het voorstel gehonoreerd door het kabinet.

Aanvankelijk dongen achttien consortia van bedrijven, universiteiten en onderzoeksinstellingen mee naar de prestigieuze titel van Technologisch Topinstituut die de ministers van Economische Zaken, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij hadden bedacht. Vier haalden de eindstreep en zullen de bijbehorende rijkssubsidie van rond de tien miljoen gulden per jaar ontvangen.

Met Technologische Topinstituten, ofwel: TTI's, probeert de overheid de fundamenteel-strategische research ten dienste van de Nederlandse welvaart in het algemeen en die van de industrie in het bijzonder te stimuleren. Overdracht van kennis van onderzoeksinstellingen naar de industrie staat hoog in het vaandel van zowel overheid als onderzoeksinstellingen.

Want kennis is niet alleen macht, maar vooral geld en verbetering van de concurrentiepositie. Verschillende ministeries hebben daarom programma's om toepassingsgericht onderzoek te stimuleren. Ook de 'technische poot' (STW) van de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) betrekt consortia van bedrijven bij de uitvoering van haar projecten.

Intussen echter, hollen de meer fundamenteel georiënteerde onderzoekers de bedrijfslaboratoria uit. Want de onderzoeksstrategie is daar niet alleen meer toepassingsgericht geworden, ondernemingen trekken zich ook terug op hun core business. Research die louter de nieuwsgierigheid bevredigt, moet maar elders worden gedaan.

'Bovendien wordt onderzoek steeds complexer en multidisciplinairder. Dat kun je bijna niet meer in eigen huis doen. In het TTI doen we dingen waar we allemaal wat aan hebben', zegt dr. J. Nieuwenhuis van Unilever en beoogd directeur van het TTI Voedselwetenschappen. Want het onderzoek dat de Technologische Topinstituten doen, komt ter beschikking aan alle industriële partners in het instituut.

Een opsomming van de partners in elk van de vier topinstituten die nu mogen beginnen - behalve Voedselwetenschappen en Polymeren, met als penvoerders Unilever respectievelijk DSM, zijn dat Metaaltechnologie (Hoogovens) en Telematica (Telematica Research Centrum) - zou vele alinea's in beslag nemen.

'Achteraf ben ik verbaasd dat we het zelf niet al eerder hebben bedacht', zegt Selman van DSM. 'Blijkbaar was de tijd er nu pas rijp voor. Nu zijn de universiteiten ook gehouden eraan mee te doen. Die staan onder een zekere maatschappelijke druk om rekening te houden met de wensen van de industrie.'

De vorming van de topinstituten, de selectie en de uiteindelijke beslissing zijn verbazingwekkend snel verlopen, vinden alle betrokkenen. In twee jaar tijd is er op een on-Nederlandse manier zaken gedaan tussen bedrijven en onderzoeksinstellingen. Het ministerie van Economische Zaken is voortvarend aan de slag gegaan en heeft scherpe deadlines gesteld.

Er is gedegen werk afgeleverd door de plannen zowel op hun wetenschappelijke kwaliteit te laten beoordelen door de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen (KNAW) als op hun commerciële haalbaarheid door het adviesbureau PA Consulting Group. Een commissie van wijzen onder aanvoering van dr. ir. Th. Quené (oud-voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en van de Sociaal-Economische Raad) heeft de uiteindelijke selectie gemaakt. De betrokken ministers hebben die overgenomen.

'Ik ben zeer tevreden', zegt drs. A. Maes, directeur Algemeen Technologiebeleid van het ministerie van Economische Zaken. 'Het was een beautycontest en vier zijn er als de allerschoonste uit gekomen. Er zijn keuzes gemaakt en die heeft men ook weten vol te houden, terwijl men tegelijkertijd de meetlat hoog heeft weten te houden. Natuurlijk zijn de clubs die niet als schoonste uit de bus kwamen, teleurgesteld. Maar ook daar is winst behaald. Ik hoor dat partijen die rondom de tafel hebben gezeten, nu afspraken gaan maken voor gezamenlijke onderzoeksthema's.'

ONDER HEN zijn de indieners van het voorstel voor een Topinstituut Duurzame Energie. Hun voorstel haalde bij een tweede ronde de eindselectie niet. 'We waren verbaasd dat we toch geselecteerd waren, omdat de KNAW ons voorstel niet wetenschappelijk genoeg vond', zegt ir. W. Schatborn, sinds kort directeur van het ECN in Petten en daarvoor werkzaam bij Stork.

'Het begrip ''top'' was niet onze keus. De industrie is er niet om de wetenschap vooruit te helpen, maar om er iets mee te doen', stelt hij. 'We zagen het als middel om gezamenlijk - vier energiedistributiebedrijven, vier industrieën en vier kennisinstellingen - wat te doen ter verwezenlijking van de overheidsdoelstelling: 10 procent duurzame energie in 2020. Ik vind het jammer dat die maatschappelijke relevantie niet is meegewogen.'

De partners onderzoeken of ze nu op de ingeslagen weg zullen voortgaan en het ministerie van Economische Zaken zal bekijken of daar, in een andere vorm, financiële steun voor is. Want, zegt Schatborn: 'Het is hartstikke zonde als je dit samenwerkingsverband niet zou continueren.'

De onderzoeksagenda van de vier nu erkende technologische topinstituten zal voor een belangrijk deel door de bedrijven worden bepaald. Maar de research is geenszins toegepast van karakter, want de fundamenten van de betreffende discipline zullen worden onderzocht. De hoop is gevestigd op het creëren van doorbraken die ten goede kunnen komen aan de meer toepassingsgerichte research die de industriële partners in eigen huis doen of via contract-onderzoek uitbesteden.

De instituten zullen geen eigen gebouwen krijgen, maar gebruik maken van de infrastructuur die er al is bij de contractpartners. De begrotingen van de vier instituten liggen elk tussen de 20 en 27 miljoen gulden per jaar, waarvoor 100 tot 175 personeelsleden zullen worden aangesteld. De overheid draagt per instituut ongeveer 10 miljoen gulden bij. In principe tot het jaar 2005, met een evaluatie in 2000. Bedrijfsleven en kennisinstituten moeten zich verplichten elk minstens de helft van de overheidssubsidie in te brengen.

Daar schortte het in de meeste concept-begrotingen echter aan. De bedrijven hebben op z'n minst de verdenking op zich geladen voor een dubbeltje op de eerste rang te willen zitten. 'Het bedrijfsleven heeft altijd gezegd dat het niet zomaar in fundamenteel onderzoek gaat zitten. Nu hebben de bedrijven een bestuurlijk en inhoudelijke commitment gedaan en ze hebben er even aan moeten wennen dat zoiets ook geld kost', constateert Maes.

In de definitieve business-plannen is de door de industrie toegezegde bijdrage dan ook verhoogd. Meestal door de omvang van het exclusieve contract-onderzoek terug te brengen ten gunste van het kernonderzoek van het instituut, waarvan alle industriële partners in gelijke mate kunnen profiteren.

Niet alle betrokkenen zijn tevreden over de keuze van de vier TTI's. De Utrechtse astronoom prof. dr. H. van der Laan, die voorzitter was van de KNAW-commissie die de voorstellen wetenschappelijk heeft getoetst, zegt: 'Wij vonden dat een TTI zich bij uitstek moet richten op doorbraken in het wetenschappelijk onderzoek. Alleen dat kan leiden tot technologische sprongen. De commissie van wijzen meende dat ook een 'incrementele' benadering - het onderzoek naar kleine verbeteringen - tot zulke sprongen kan leiden.'

Daardoor zijn voorstellen gehonoreerd, zoals het TTI Metaaltechnologie, waarvan zulke sprongen niet te verwachten zijn. Van der Laan vreest dat het voor de TTI's moeilijk zal zijn het gewenste wetenschappelijk niveau en leiderschap aan te trekken. Hij hoopt dat industrie en overheid de wijsheid kunnen opbrengen de wetenschappelijk directeur de noodzakelijke vrijheid te gunnen.

'Een topinstituut kun je niet maken. Zeker niet in een paar jaar', stelt Van der Laan. 'Je kunt wel de voorwaarden scheppen. Maar net zomin als een oliesjeik zelfs met een miljard gulden een topvoetbalteam kan samenstellen, zo kun je een topinstituut garanderen. De meeste bestaande topinstituten bestaan al 20, 25 jaar.'

Van der Laan vind het geven van een vliegende start aan instituten waarin industriële partners de richting van het fundamenteel-strategisch onderzoek vaststellen, wel een belangrijk experiment. Mits iedereen het daarvoor noodzakelijke geduld weet op te brengen en niet direct begint te duwen en te trekken als de (toepasbare) resultaten wat tegenvallen.

Het KNAW-lid waarschuwt ook voor teleurstellingen als het betreffende onderzoek niet leidt tot de gewenste vooruitgang in technologie en samenleving. 'Wij onderzoekers weten inmiddels dat er geen direct verband is tussen wetenschappelijk onderzoek en welvaart. Veel welvaart is voortgekomen uit de resultaten van wetenschappelijk onderzoek dat niets met toepassing of economie te maken had.'

Maarten Evenblij

Meer over