Industrie ten onrechte ontzien bij aanpak broeikaseffect

Onlangs bracht de regering een nota uit met maatregelen om het broeikaseffect tegen te gaan. Volgens Jaap Kolpa en Jeroom Remmers legt het kabinet daarin de verantwoordelijkheid te veel bij de consument en de kleine bedrijven en te weinig bij de zware industrie....

Jaap Kolpa & Jeroom Remmers

NEDERLAND moet in 2010 6 procent minder van het broeikasgas CO2 uitstoten om de opwarming van de aarde tegen te gaan, zo is twee jaar geleden afgesproken op de klimaatconferentie in Kyoto. In de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid stelt de regering een reeks van maatregelen voor om dit doel te bereiken. Eén van de hoofdpunten daarbij is het zogenaamde 'benchmark-convenant', een overeenkomst over energiebesparing in de zware industrie.

In het convenant tussen overheid en vijf energie-intensieve bedrijfstakken beloven de laatste dat zij in 2012 zullen behoren tot de - internationaal gezien - meest energie-efficiënte bedrijven. In ruil voor deze resultaatsverplichting van de bedrijven belooft de overheid tot 2012 geen eisen te zullen stellen wat betreft van CO2-uitstoot, geen specifieke energieheffing op te zullen leggen en een vrijstelling te bepleiten als het in Europa tot een energieheffing voor grootverbruikers komt.

Vijf branches hebben zich aangemeld: basismetaal, chemie, papier, raffinaderijen en de stroomproducenten. De makers van cement, glas en suiker overwegen zich er bij aan te sluiten. Daarmee valt dan 80 procent van het industriële energieverbruik in ons land onder deze 'benchmark'.

Aan deze aanpak kleven belangrijke bezwaren. In de eerste plaats levert deze aanpak een onvoldoende bijdrage aan de oplossing van het klimaatprobleem. De uitstoot van CO2 in Nederland zal in 2012 vergeleken met autonome ontwikkelingen slechts 2,5 megaton dalen, zo heeft de Universiteit Utrecht begroot.

Wil Nederland voldoen aan de afspraken die in Kyoto zijn gemaakt, dan moet een reductie van 50 megaton CO2 worden gerealiseerd. Er blijft dus nog een behoorlijk gat bestaan. De zware industrie draagt voor maar 5 procent bij aan 'Kyoto', terwijl die industrie wel zorgt voor 40 tot 50 procent van alle CO2-uitstoot.

Ten tweede geeft de overheid met deze overeenkomst tot 2012 wel alle instrumenten op gebied van industrieel energiebeleid uit handen. Gevreesd moet worden dat, om de CO2-doelen toch te halen, een veel grotere inspanning van burgers en kleine bedrijven gevraagd zal worden.

Dit betekent onder meer: hogere energieheffingen. De kleinverbruiker mag het klimaat redden, terwijl de grootverbruikers de dans ontspringen. Een onrechtvaardige situatie, ook omdat CO2-reductiemaatregelen bij de industrie drie- tot viermaal goedkoper zijn te realiseren dan bij consumenten en kleine bedrijven.

Ten derde: veel industrieën behoren al tot de meest energie-efficiënte ter wereld. Zij zullen via de voorgestelde aanpak nauwelijks worden geprikkeld om hun efficiency verder te verbeteren. Het technisch (en economisch rendabel) potentieel voor energiebesparing in de industrie is echter veel groter dan de benchmark-aanpak uitlokt.

Dit is recent nog aangetoond in het rapport Energiebesparing in een stroomversnelling van onderzoeksbureau Ecofys. Dit bureau kwam tot een twee- tot viermaal groter potentieel aan energie-besparingsmogelijkheden.

De benchmark-overeenkomst slaat uitsluitend op energiebesparing binnen de productieprocessen van de grootindustrie. Belangrijke opties om energie te besparen buiten de directe procesverbeteringen worden veronachtzaamd. Zo geeft de benchmark-aanpak geen enkele prikkel om minder verpakkingsmateriaal te gebruiken, producten energie-efficiënter te ontwerpen en samenwerking tussen verschillende bedrijven binnen één bedrijventerrein (bijvoorbeeld door gebruik te maken van elkaars afvalwarmte) blijft ook achterwege. Toch zitten dáár juist vele kansen om zuiniger met energie om te gaan.

Dit is dus geen goede aanpak. Welke aanpak dan wel? De PvdA is voorstander van twee instrumenten: verhandelbare rechten om CO2 uit te stoten en invoering in Nederland van een energieheffing voor grootverbruikers. Beide instrumenten hebben als groot voordeel dat zij nauw aansluiten bij de specifieke bedrijfseconomische afwegingen. Elke ton CO2 die een bedrijf niét uitstoot levert dat bedrijf direct geld op.

De energieprijzen voor grootverbruikers zijn in Nederland een stuk lager dan het Europese gemiddelde. Voor gas betalen zij gemiddeld 15 procent minder en voor elektriciteit 35 procent minder dan bedrijven in onze buurlanden. Daarnaast hebben de 25 allergrootste bedrijven speciale contracten afgesloten tegen nog lagere tarieven.

De prijsopbouw is zelfs zo dat voor bedrijven geldt: hoe hoger het verbruik, hoe lager de prijs. Is het dan niet redelijk dat de industrie net als de kleinverbruikers wat meer voor haar energie gaat betalen en niet goedkoop wegkomt met een - vrijblijvend - convenant?

De PvdA spreekt zich in haar verkiezingsprogramma uit voor invoering in Nederland van een energieheffing voor grootverbruikers. Deze heffing moet de energieprijs voor grootverbruikers optrekken tot het Europese gemiddelde. Daarmee geeft de overheid een forse impuls aan de energiebesparing in de industrie, zonder dat de kans bestaat dat de industrie meteen wegtrekt.

De Tweede Kamer moet dit benchmark-convenant bekijken in samenhang met de zo juist uitgebrachte Uitvoeringsnota Klimaatbeleid. Dan wordt duidelijk dat de benchmark-aanpak niet past in een verantwoord klimaatbeleid en dat de industrie weinig extra's doet om hun energie-efficiency op te voeren, terwijl de handen van de overheid wel voor twaalf jaar worden gebonden. Een ongewenste situatie.

Meer over