In Siberië woont niemand meer tegen zijn zin

Ooit waren Siberische steden verbanningsoorden. Tegenwoordig verleidt het stadsbestuur van Krasnojarsk de inwoners met moderne faciliteiten zoals comfortabele huizen, Olympische sportvoorzieningen en goed onderwijs....

Ze lijken nog het meest op cocons van buitenaardse wezens die op aarde zijn geland om hier vanuit Oost-Siberië de wereld over te nemen. De elektrische draden die vanuit de cocons naar de hoogspanningskabels boven de straat lopen, zijn een aanwijzing dat het intelligente wezens zijn die geleerd hebben lokale energiebronnen te gebruiken. Nadere inspectie leert echter dat de veertien lichtgevende cocons in het hart van Krasnojarsk geen bescherming bieden aan aliens, maar aan evenzoveel broze boompjes, die zo de winterse temperaturen van gemiddeld min 18 graden overleven.

Ze zijn onderdeel van een stadsproject om de alom tegenwoordige populieren in het centrum te vervangen door interessantere en meer exotische varianten, tot palmen aan toe. Aan ambitie dus geen gebrek, in Krasnojarsk.

Het aangezicht van deze hoofdstad van een onmetelijk grote Siberische landmassa, is dat van een zwaar getekend lichaam dat bezig is een face lift te ondergaan. De littekens zijn nog lang niet verdwenen uit de stad, die zich laat lezen als een historische kaart. De strategische ligging, in de heuvels aan de Jenisej-rivier verwijst naar de wortels van de stad als 17de eeuwse koloniale buitenpost.

De rookpluimen van de zware industrie in de heuvels zijn, net als de eindeloze, deprimerende woonblokken in de buitenwijken, het testament van driekwart eeuw communistische planning. De casino’s en de gokhallen in het centrum zijn de erfenis van de ‘democratische’ jaren negentig, toen alles wat God verboden heeft razendsnel ingang vond in Rusland. Maar de nieuwe restaurants, clubs en winkels zijn, net zoals de gerestaureerde puien van de oude panden, de nieuwe woonwijken aan de rivier en de beschermde boompjes onmiskenbare tekenen van het ‘nieuwe’ Krasnojarsk.

De stad is in handen van een nieuwe bestuurselite die, net als de communistische voorgangers, droomt van een nieuw Siberisch Eldorado. Met dat verschil dat nu de tucht van de markt regeert. En dat mensen niet langer worden gedwongen in Oost-Siberië te wonen, maar worden aangelokt door moderne faciliteiten, huizenbouw en beter onderwijs.

De communistische erfenis laat zich gelden in de hydrodam uit de jaren zestig die 15 kilometer stroomafwaarts ligt. De bedrijfsleider ontvangt er zijn buitenlands bezoek zoals hij waarschijnlijk ieder bezoek ontvangt: half dronken. Het is in grootte de vijfde dam ter wereld, zegt de directeur trots, maar wat er met de opgewekte elektriciteit gebeurt kan hij niet zeggen. ‘Wij leveren aan de staat.’ Hij pleegt geen desinformatie – dat vereist een zekere kunde – maar non-informatie. Het enige wat hij zeker weet is dat de dam ecologisch ‘100 procent verantwoord’ is, niet zoals in Frankrijk ‘waar ze de bomen niet eens rooien als ze een dam bouwen’.

Wie aan zijn relaas probeert te ontsnappen door zijn handen te gaan wassen, weet de weg geblokkeerd door de walmende bedrijfsleider. ‘Kijk eens hier’, roept hij uit, ‘ons museum.’ Inderdaad, aan de muur hangt een glazen vitrine met een kaart van de bedamde Jenisej en zwart-witfoto’s van de bouw. Daar werd iets groots verricht – en dat komt nu goed uit bij het leveren van goedkope energie aan de staalsector.

In Krasnojarsk zijn de zuidelijke heuvels bezaaid met grote fabrieken. Een deel werkt nog, getuige de dikke rookpluimen, maar de rest staat er werkeloos bij. De sluiting van die fabrieken stortte de stad in de vroege jaren negentig in een crisis, maar vroeger dan elders begon in Krasnojarsk ook de aanpassing aan nieuwe tijden.

Een geslaagd voorbeeld van die aanpassing vindt je in Krastsvetmet, een fabriek die onder meer de Russische centrale bank voorziet van vers gebakken goudstaven. De afgelopen tien jaar heeft Krastsvetmet zich echter ook toegelegd op de verwerking van hoogwaardige metalen voor gebruik in bijvoorbeeld de ruimte-industrie en de productie van sieraden. Van buiten oogt het alsof er weinig is veranderd sinds de fabriek begon in 1943, als onderdeel van de oorlogsindustrie tegen Hitler. Maar de gevangenen die destijds het werk deden – gefourneerd door KrasLag, het regionale netwerk van strafkampen – zijn allang vervangen door redelijk goed betaalde en geschoolde arbeiders.

Binnen toont Chodoekov Petrovitsj trots de gloednieuwe productielijn die hij bestiert – alles van Brits fabrikaat – waarmee zeer verfijnde platinanetten worden gemaakt voor industrieel gebruik. ‘Het leven heeft ons geleerd dat je bankroet gaat als je geen nieuwe wegen inslaat.’ Een verdieping hoger toont hij een enorme hal waar honderden machines 24 uur per dag diverse soorten goud verwerken tot halskettingen. De productie wordt door maar een paar mensen bewaakt, maar levert miljoenen Russen betaalbare sieraden op.

In een naast gelegen zaal maken enkele rijen meisjes en vrouwen handmatig de duurdere sieraden. Worden zij niet uitgebuit? Nee, ze verdienen met 19 duizend roebel, ver boven het landelijk gemiddelde. Directeur Igor Tichov heeft zijn ogen alweer op een nieuwe groeimarkt laten vallen: de productie van katalysatoren voor de snel groeiende Russische auto-industrie. Hieraan komt een enorme behoefte omdat Rusland vanaf september dit jaar zijn stinkende autopark gaat wegtoveren en geleidelijk aan de katalysator verplicht stelt voor alle nieuwe auto’s.

Krastsvetmet staat voor ‘diversificatie’, het toverwoord onder Russische politici en economen die beseffen dat de afhankelijkheid van olie- en gasexporten op den duur tot nieuwe rampen kan leiden. Dat geldt ook voor de provincie Krasnojarsk, waar enorme hoeveelheden kostbare edelmetalen, steenkool, en hydro-energie uit de grond worden gehaald die, zo lijkt het, 4.000 kilometer naar het Westen – in Moskou – worden verbrast.

Na de ‘metaaloorlogen’ van de jaren negentig zijn twee oligarchen dominant uit de strijd gekomen in Oost-Siberië: Potanin met Norilsk Nikkel en het staalimperium van Oleg Deripaska. Hoewel het meeste geld uit deze Siberische industrieën wegvloeit, blijft er genoeg plakken. Onder president Poetin worden oligarchen aangemoedigd iets terug te doen voor het land en de sociale infrastructuur van hun wingebieden te verbeteren. De oligarchen doen dat, maar plegen daarbij het nuttige met het aangename te combineren.

Een prachtig staaltje daarvan is te vinden aan de rand van de stad waar sportfanaat Potanin Ruslands modernste skifaciliteit heeft gebouwd. Alles is volgens Olympische maatstaven gebouwd en de hele ondersteuning (tot en met de afstemming van de ski’s) is exact dezelfde als die van het Oostenrijkse nationale skiteam.

Het extravagantst is nog de après-ski faciliteit – nachtclub, restaurants, lounge – die ook geheel uit het Westen lijkt geïmporteerd. Je treft er een Oostenrijkse ‘adviseur’ aan, die met een brede glimlach verhaalt hoe hij de Russen leert schnitzels en sachertorte te bakken. Alleen de serveersters zijn Russisch, maar dat is niet noodzakelijkerwijs een achteruitgang.

In de diepe fauteuils van de lounge kan de elite van Krasnojarsk zich te goed doen aan een versnapering, genietend van een uniek uitzicht. Recht tegenover de skipistes ligt namelijk een andere heuvel, volgebouwd met houten bouwvallen die er een eeuw geleden waarschijnlijk niet veel anders bijstonden. Het is de ultieme uitdrukking van de twee werelden die Krasnojarsk in zich bergt – net zoals in zoveel andere Russische steden. Is het contrast niet cru? ‘Het is wel apart’, geeft een gids toe, ‘maar vergeet niet: de waarde van die huizen is door dit project enorm gestegen!’

De skipiste oogt als een uitspatting, maar de lokale bevolking profiteert er wel degelijk van. Er zijn 450 banen geschapen en de prijzen voor de skilift zijn heel acceptabel: 200 roebel (6 euro) voor vijf keer, 1.200 voor vijftien keer. Bovendien is het project nog niet af. Er wordt nog een groot zwembad gebouwd, een plaats voor openlucht concerten en een amusementspaleis voor kinderen.

Dat Oostenrijk als voorbeeld diende voor Ruslands modernste skifaciliteit, zegt iets over de Europese oriëntatie van deze stad, die op een paar duizend kilometer van de Oeral ligt. Hoewel de olie- en gasvelden die hier de komende jaren worden aangeboord met de in aanbouw zijnde ‘Aziatische spoorlijn’ de oosterse markten zullen bedienen, doet de stad in alles Europees aan.

Dat geldt voor de Westerse muziek van Radio Krasnojarsk die als vanouds klinkt uit de publieke luidsprekers in het centrum, voor het nieuwe zakencentrum ‘Europa’, voor de rendiersteaks die geserveerd worden in restaurants met verbasterde namen als ‘Kantri Bar’ tot en met de grote Mercedessen waarin de nieuwe elite rondrijdt. Hoewel verder naar het oosten de Chinese ‘invasie’ als een bedreiging wordt beschouwd, zitten de Chinezen in Krasnojarsk nog veilig opgesloten in een bescheiden handelscentrum.

Russische filosofen beschouwen hun land al eeuwenlang als ‘bijzondere macht’, noch Europees, noch Aziatisch. Maar het straatbeeld van Krasnojarsk herinnert eraan dat de culturele ligging van de stad veel westelijker is dan zijn geografische. Zo gek is dat ook niet: Siberië werd tenslotte vanuit het westen gekoloniseerd, niet vanuit het oosten.

De gouverneur van Krasnojarsk, Chloponin, probeert uit alle macht de heropleving van de stad en het grote achterland tot een goed einde te brengen, vooral door de stad aantrekkelijker te maken voor goedgeschoolde jongeren. De komende jaren begint in Oost-Siberië de exploitatie van olie- en gasvelden die, volgens directeur Jevgei Popov van het oliebedrijf Bankorneft, alleen ‘onder extreem moeilijke omstandigheden’ te exploiteren zijn.

Daarvoor zorgen de permafrost die tot 600 meter in de grond zit en de buitentemperatuur tot minus 50 graden. In de communistische tijd werden mensen naar die temperaturen gestuurd als onderdeel van de perverse staatsplanning en de bevolkingspolitiek. Nu zijn het de hoge olieprijzen die de exploratie van noordelijke gebieden winstgevend maken, ondanks de enorme investeringen.

Maar het gebeurt nu onder een beter gesternte en een optimistischer gemoed. Die straalt ook af van het nieuwe treinstation dat in 2004 in minder dan een jaar werd gebouwd. Midden op het stationsplein verheft zich hoog boven de reizigers een standbeeld van een leeuw met een schop in zijn hand. Een niet mis te verstaan symbool, dat het wapen van Krasnojarsk blijkt te zijn.

Meer over