In de boomgaard van Il Tedesco

Een telefoonnummer in Amsterdam, een antwoordapparaat, en een paar dagen later Paul Jansen rechtstreeks aan de lijn. Hij regelt alles: je boerenwoning, je eigen auto(otje), en de goedkoopst mogelijke vliegreis....

WILLEM KUIPERS

De eerste keer dat we op Sicilië landden, was het al donker. Hoog in de lucht was alleen de vuurspuwende Etna te zien geweest. Beneden leek Sicilië door het duister verzwolgen. Gelukkig was er de man in het wit als een lichtgevend baken. Paul Jansen begroette ons, laadde ons in een gebutste bus en daar gingen we. Het leek wel een ontvoering.

Een uur later waren we er en terwijl de intense stilte op ons neerdaalde, nu en dan verbroken door ijselijke kreten, alsof er iemand werd gekeeld - jonge vossen, sprak Jansen geruststellend - werden we naar een terras geleid, waar een marmeren tafel glansde in het maanlicht. Binnen de kortste keren hadden Jansen en zijn vrouw Lilly er een feestdis aangericht. Waar waren we terechtgekomen?

Dat zagen we pas de volgende dag: in een lusthof van bomen vol bloedsinaasappelen, citroenen, olijven, vijgen, limoenen en tal van ons onbekende vruchten, zoals de nespolé, die je zelfs op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam niet vindt. En toen zagen we ook de boer, die vanwege zijn witte haar Il Tedesco wordt genoemd, de Duitser. Trots liet hij ons zijn ingenieus geïrrigeerde boomgaard zien waar tweemaal per week het water van de bergen klaterend doorheen stroomt, zodat de hele aanplant een zinnenstrelende sinaasappelgeur verspreidt. We mochten plukken wat we wilden. Verkopen deed hij toch niks.

De schitterende boomgaarden in het dal van de Alcántara, aan de oostkust van Sicilië, worden nog maar ten dele onderhouden. De bejaarde eigenaren trekken zich terug in de nabij gelegen dorpen. Hun kinderen zoeken hun heil in de Siciliaanse steden, in Italië, of nog verder weg, want ze weten dat er voor hen op Sicilië geen droog brood te verdienen valt, zeker niet in de land- of tuinbouw, die op de wereldmarkt kansloos is.

En evenmin aan de toeristen, die maar mondjesmaat koers zetten naar dit prachtige eiland, waar de jaarringen van de geschiedenis zo zichtbaar zijn gebleven. In de steden evengoed als op het land, de schitterende tempelplaatsen bij Agrigento of Selinunte, de nagenoeg ongeschonden teruggevonden Romeinse buitenplaats Piazza Armerina, of de resten van kastelen aan de kust, waar alle veroveraars uit het verleden zich een tijdlang hebben opgehouden, tot en met de Noormannen toe.

In Il Tedesco meenden we zo'n Noorman te hebben teruggevonden. Met zijn blonde kop en krachtige postuur leek hij zo weggelopen uit een van de vele verhalen die we over Sicilië hadden gelezen. Zoveel verhalen. Van de oudste oudheid tot de jongste dag, van bij wijze van spreken de grote schrijver Luigi Pirandello - in wiens geboortehuis bij Agrigento je de jeugd van deze gelauwerde boerenzoon haast voor het het grijpen hebt - tot en met Leonardo Sciascia, die in zijn roman De dag van de uil liet zien hoe het ware gezicht van de maffia schuilgaat achter al die gruwelijke incidenten waarover we lezen in de krant. Op Sicilië vraag je je steeds af of je in de zonovergoten werkelijkheid bent, of in een boek.

Voor ons begon het verlangen naar Sicilië, lang geleden, met het lezen van Il Gattopardo (De Tijgerkat) van Giuseppe Tomasi di Lampedusa. Het vervulde ons met een haast verstikkende nostalgie die zich - voor ons noorderlingen - maar moeilijk laat verklaren, totdat je Sicilië zelf ervaart, en merkt hoe weerbarstig en eigenzinnig de bewoners zijn, niet bereid om voor welvarende bezoekers van elders een knieval te doen (al verandert dat enigszins in die paar gebieden waar het georganiseerde toerisme bussenvol uitgestort wordt). O, zeker, de mensen die je spreekt, en die je vaak nodig hebt om je de weg te wijzen als je het spoor weer eens bijster bent, zijn buitengewoon vriendelijk, maar ze wekken toch de indruk dat ze Sicilië niet graag met je delen.

Jansen weet als geen ander hoe moeizaam het contact met Sicilianen verloopt. Niettemin voelt hij zich thuis op het eiland, vanaf het moment dat hij besloot om als voormalige marineman en eigenaar van een goedlopend restaurant in Den Helder alle schepen achter zich te verbranden en zichop Sicilië te vestigen. Vanuit zijn hooggelegen burcht bij Motta Camastra bestiert hij sindsdien zijn zaken.

Al jaren huurt hij een vijftal huizen van boeren in hetgroene gebied aan de oostkust bij Taormina, op een kwartiertje rijden van zee, en verhuurt die aan Nederlanders. De meesten komen niet alleen voor de Etna, de bergen en het strand, maar ook voor de cultuur, die op de meest vreemde plaatsen ligt opgetast.

Met het autootje dat bij de huurprijs is inbegrepen reizen ze rond, maken per boot uitstapjes naar de vulcanische Aeolische eilanden (waar je het inktzwarte, glasharde obsidiaan voor het oprapen hebt), of bezoeken steden als Syracusa en Palermo. Onze voorkeur is steeds weer het nagenoeg ongerepte badplaatsje Cefalú, waar eenmaal per jaar de talloze, barokke privékerken worden opengesteld, en de genius loci sowieso een sterk religieuze tic heeft.

Wie op deze manier Sicilië doet, waant zich algauw meer een inwoner van het land, dan een toerist, en krijgt een gevoel van verbondenheid met het land en zijn bewoners, dat ertoe noopt steeds weer terug te keren. Sicilië is als een boek, dat je na één keer lezen nog niet kent, omdat het zoveel onvermoede kanten heeft. Niet zomaar een mooi boek, maar een heel complex boek: het ene moment kun je getroffen worden door de adembenemende schoonheid van een plek (Selinunte bijvoorbeeld), om het volgende moment oog in oog te staan met een iets heel lelijks (de mislukte off-shore aan de zuidkust bijvoorbeeld).

Op Scilië beklijft, ogenschijnlijk, niets. De autowegen zijn er vaak niet best aan toe; de bergwegen gevaarlijk. In de steden wordt architectonische pracht weggemokerd voor flatblokken, die - nadat forse subsidies ergens aan een strijkstok zijn blijven hangen - nooit worden afgebouwd.

Maar als het je te veel wordt, te veel aan cultuur, te veel aan wild woekerende bloemenpracht, te veel aan zon en herrie van het verkeer, dan is er dat 'eigen huis' in de schaduw van palmen en ander geboomte, waar de boer je bij wederkeer verrast met de gouden vruchten van zijn land.

Hoe lang nog? Want als deze boeren, der dagen zat, het moede hoofd voor altijd neerleggen, verdwijnt opnieuw iets fraais. Je ziet het als je rondreist: boomgaarden, tuinen, landerijen verliezen hun paradijselijke aanzien, als ze worden verwaarloosd. Alleen de schaapherders zijn niet stuk te krijgen. 's Avonds verbreiden hun vuren - waarmee ze het struweel platbranden voor nieuw grasland - mét de Etna een gloed, die bij alle schoonheid ook iets dreigends heeft. Een land voor romantici en dromers.

Willem Kuipers

Nationaal Italiaans Verkeersbureau, Stadhouderskade 2, 1054 ES Amsterdam, tel: 020-616.82.44

Paul Jansen: 020-6849649.

Dit is het laatste deel van een serie over boerderijvakanties in Europa. Hebt u een favoriet vakantieadres bij een boer, schrijf in enkele regels wat er bijzonder aan is en vermeld adres en telefoonnummer van de boerderij. Zie de rubriek Bagage op pagina 7T.

Meer over