Hulp voor hongerende Russen

Economische chaos leidde in het Rusland van na de communistische revolutie tot hongersnood. Onder leiding van poolvorser Fridtjof Nansen kwam er internationale hulp....

Gerard Groeneveld

DE RUSSISCHE revolutionairen waren na hun greep naar de macht in oktober 1917 nog lang niet bij machte een beter leven voor de bevolking te creëren, zoals hun rode vaandels beloofden. De bolsjewieken probeerden vergeefs de economische chaos in het door burgeroorlog geteisterde land te bestrijden met landhervormingen, waartegen de boeren zich hevig verzetten.

Halverwege 1918 leidden voedseltekorten in de grote steden tot een kritieke situatie. Het nieuwe regime nam enkele impopulaire maatregelen en liet het rode leger met geweld de oogst bij de boeren weghalen. De regering week af van het ideologische pad door oogluikend illegale handel in agrarische producten toe te staan. Veel stedelingen vluchtten naar het platteland, in de hoop daar een stukje grond te vinden waarop zij zelf voedsel konden verbouwen.

Tijdens de oogst van september 1920 stuurde Lenin zijn troepen gewoontegetrouw naar de boeren om het graan op te halen. Maar deze keer ondervonden de soldaten felle weerstand van veel boeren in Siberië en het Wolga-gebied, die meer dan genoeg hadden van de gehate graanconfiscaties. Met enkele lokale Sovjet-functionarissen maakten de opstandelingen korte metten. Lenin reageerde met een middel dat hij van zijn voorganger, de tsaar, had afgekeken en stuurde genadeloze strafexpedities naar de opstandige dorpen.

Om uit deze kritieke situatie te komen, initieerde het communistische staatshoofd zijn plan voor een Nieuwe Economische Politiek (NEP). Voor de boeren hield dat in dat hun graan niet meer werd afgenomen, maar dat zij in het vervolg over hun productie belasting moesten betalen. Maar eer deze economische hervorming goed en wel in werking trad, werd het land getroffen door een volgende catastrofe. De langdurige droogte in het zuidoosten van Rusland verschroeide vrijwel de volledige oogst, die toch al tegenviel door de bewust geringe productie waarmee de boeren Lenins landbouwbeleid hoopten te dwarsbomen. Een massale hongersnood was onvermijdelijk. Het ergst voelbaar was de ramp in het Wolga-bekken.

Een van de eersten die opriepen tot internationale hulp was de Noorse ontdekkingsreiziger en diplomaat Fridtjof Nansen, die door de Volkenbond benoemd was tot commissaris voor de Russische vluchtelingen, nadat hij zich succesvol had ingezet voor repatriëring van politieke gevangenen na de Eerste Wereldoorlog. De meeste leden van de Volkenbond stonden niet te juichen bij de gedachte het nieuwe Sovjet-bewind te hulp te schieten. Men vreesde dat het grootste deel van de hulp in de magen van het Rode Leger zou verdwijnen. Die aarzelende houding maakte dat de hulp pas laat op gang kwam. Toch lukte het Nansen een Internationaal Comité voor Russische Hulp op te zetten, dat al snel kortweg 'Nansencomité' werd genoemd.

Nansen stelde een team samen van deskundige en capabele medewerkers, onder wie Vidkun Quisling, de latere Noorse nazi-collaborateur wiens naam voorgoed het synoniem zou worden voor landverrader. Maar onder Nansens leiding was hij een toegewijde hulpverlener die gedetailleerde rapporten over de hongersnood in Oekraïne schreef naar het hoofdkantoor van de hulporganisatie in Genève. Daaruit bleek onder meer dat de Sovjets enorme hoeveelheden graan uit dit gebied naar het Wolga-bekken stuurden, terwijl uit die richting ook een massale toestroom van vluchtelingen in Oekraïne neerstreek. Het gevolg was een onrustbarend sterftecijfer van ongeveer duizend mensen per dag, zoals Quisling concludeerde.

De situatie was zo schrijnend dat mensen er niet voor terugschrokken elkaar op te eten. Zelfs in families kwam kannibalisme voor. In mei 1922 kwamen eindelijk voedselvoorraden uit het Westen in de getroffen Oekraïense gebieden aan. Het was Quislings taak die te distribueren. Hij voerde zijn taak met militaire precisie uit. Zijn organisatietalent en kennis van het Russisch leidden ertoe dat hij in vrijwel alle gevallen het voedsel op de juiste plek kreeg. Bij ontbreken van een behoorlijk wegennet, efficiënt treinverkeer en goed functionerende telegraaf, was dat geen gemakkelijke taak.

Speciale comités stuurden allerlei soorten eetbaars: Deense worsten, Spaans graan, Noorse haring en ook kleding werd naar de Russische rampgebieden gestuurd. Afdelingen van het Rode Kruis en ook organisaties als de Quakers gaven ter plekke hulp. Een groot aandeel in de hulp werd geleverd door de American Relief Administration, op instigatie van de toenmalige president Herbert Hoover.

De omstandigheden waaronder de hulpverleners werkten, waren verre van comfortabel. Begaanbare wegen waren er nauwelijks, treinen reden naar willekeur. Een houten slee, getrokken door paarden of kamelen, was in de barre winterse omstandigheden nog het betrouwbaarste vervoermiddel. Daarbij lag de door luizen overgebrachte vlektyfus voortdurend op de loer. Die maakte niet alleen slachtoffers onder de directe hulpverleners, ook Nansens naaste medewerkers, onder wie de Engelsman Farrar en de Italiaan Pardo, raakten besmet en stierven. Alle hulpverlenende instanties gaven hun medewerkers dan ook het dringende advies mee om vooral mensenmassa's te mijden.

Nederland bleef met hulp niet achter. Het 'Nederlandsche Nansencomité' zond in december 1921 een trein en een scheepslading met levensmiddelen richting Rusland. Om te kijken of de lading wel op de juiste plek terechtkwam, reisde de Nederlandse journalist Johan Luger naar het Wolga-gebied. Hij publiceerde zijn bevindingen in De Telegraaf en bundelde ze nog hetzelfde jaar in het boekje In het stervende Wolgagebied. Via Moskou spoorde hij naar de stad Samara van waaruit de hulporganisaties hun werkzaamheden coördineerden. Een troosteloos oord, waar Luger voor het eerst met de ellende van de slachtoffers geconfronteerd werd: horden vluchtelingen die in doffe wanhoop op besneeuwde en vuile stations samenpakten.

IN DE VERDER naar het zuidoosten gelegen stad Buzuluk vervolgde de Nederlandse verslaggever zijn tocht. Hij bezocht enkele kinderhospitalen, die volgens hem meer weg hadden van 'verzamelplaatsen voor stervende kinderen'. Luger beschreef hoe hij in een huis zo'n vijftig zuigelingen en kinderen van 2 tot 4 jaar aantrof, 'onvoldoende bedekt - hun naakte witte lijfjes vertoonden sporen van uitslag - sommigen waren met roode vlekken geheel overdekt - oogen en monden waren in hoogsten graad onrein en daar zij leden van honger, van pijnen waarom niemand zich ernstig bekommerde, van onreinheid en van moeheid, schreeuwden zij den ganschen dag en schreeuwden zoo hopeloos en zoo onophoudelijk, dat het niet om uit te houden was'.

Voor die dag had hij genoeg lijden gezien, maar zijn begeleider Arthur Watts, hoofd van de plaatselijke Quakersafdeling, trok hem mee naar het kerkhof van Buzuluk, waar stapels lijken vaak in groteske houdingen lagen te wachten op de dooi zodat zij konden worden begraven. Foto's van dit tafereel waren kort daarvoor als aanklacht over de gehele wereld verspreid.

In februari 1922 was de hulpverlening in het district Buzuluk zodanig op gang gekomen dat op een bevolking van zo'n half miljoen ongeveer honderdduizend inwoners gevoed konden worden met buitenlandse hulp. Daaronder bevonden zich meer dan 68 duizend kinderen, die bij de hulp voorrang kregen.

Vanuit Samara ondernam Luger per boerenslee verschillende dagreizen verder het hongergebied in. De Nederlanders werkten in het Wolga-gebied samen met het Zweedse Rode Kruis, dat de verdeling van het Nederlandse eten onder de hongerende bevolking verzorgde. Eind februari kwam de eerste lading met Nederlands voedsel in Samara aan en op 1 maart konden de eerste gelukkigen van de snakkende bevolking eindelijk proeven van Nederlandse soep, ingemaakte snijbonen, gedroogde aardappelen en margarine.

Het was de bedoeling dat met het eten uit Nederland zes maanden lang bijna 15 duizend mensen gevoed zouden worden. Maar dat aantal bleek na aankomst van

de goederen te optimistisch.

Luger keerde gefrustreerd terug naar Nederland. De hongersnood in Rusland bleek nauwelijks te lenigen, het leek erop dat het grote sterven niet te keren was. 'Een korrel graan, geworpen voor een toom hongerige kippen', zo vatte hij het effect van de hulp samen.

Hoe goed bedoeld ook, alle internationale hulp was uiteindelijk onvoldoende. Voor vijf miljoen Russen kwam die te laat. Toch zou de bevolking in de getroffen gebieden de bemoeienis van het Westen niet licht vergeten. Nansen werd in 1922 voor zijn inspanningen beloond met de Nobelprijs voor de Vrede.

Een jaar daarna publiceerde Nansen zijn bevindingen in Rusland en de vrede. In dit boek, waarin hij Quisling als enige van zijn medewerkers met name noemt, legde Nansen zijn nogal naïeve visie vast dat het Westen veel afhankelijker van de Sovjet-republieken was dan werd aangenomen. Hij achtte het zelfs niet onwaarschijnlijk dat van daaruit een geestelijke vernieuwing zou ontstaan.

Zijn favoriete medewerker Quisling trok een heel andere conclusie in het boek Rusland en wij. Daarin wees hij juist op het gevaar dat uit het oosten dreigde.

Lenin had met zijn landbouwpolitiek een dodelijke blunder gemaakt, maar het was niet zijn opzet de boerenbevolking te elimineren. Dat was wél de bedoeling van zijn opvolger Stalin. Die voerde als fervent voorstander van het kolchozensysteem luttele jaren later met succes een verbeten strijd tegen de koelakken. Honderdduizenden van deze vrije, zelfstandige boeren werden door Stalin uitgehongerd.

Het liefst had de Sovjet-regering naderhand alle herinneringen aan de internationale hulp uitgewist. Toen dat niet lukte, probeerde ze de herinnering bij te sturen. De Grote Sovjetencyclopedie uit 1926 vermeldde nog tamelijk correct de bijdrage van de westerse hulp, die op het hoogtepunt zo'n tien miljoen Russen van voedsel voorzag. Maar in de editie van 1950 werd die daad uitgelegd als spionageactiviteit en steun aan de contrarevolutie.

Meer over