Honden, altijd en overal

25 jaar lang maakte hij Dierenmanieren, tegenwoordig staat Martin Gaus voor een familiebedrijf met dierenhotel, gedragsscholen en meer. Zijn kinderen Sacha en serge wilden nooit leven zoals hij, ‘maar we doen nu precies hetzelfde.’ tekst Aimée Kienefoto’s Ilya van Marle..

tekst Aimée Kiene

Hebben jullie met elkaar gesproken over de dood van Steve Irwin, de Australische Crocodile Hunter?

Sacha:‘Martin en ik hebben het over gehad, maar dat kwam omdat..

Martin: ‘Allerlei mensen reageerden.’

Sacha: ‘Martin had een interview gegeven aan het AD. Daarin stond: “Ach, die man deed alles voor de kijkcijfers”, want dat bekt lekker. ’

Maar dat is toch ook zo?

Martin: ‘Ja, dat is ook zo.’

Sacha: ‘Wat hij bedoelde te zeggen was dat hij heel ver gaat om mooie televisie te maken. Vervolgens kregen we 45 boze mails: “Alsof jij het niet voor de kijkcijfers doet.”’

Martin: ‘Ik heb vanochtend een paar extreme beantwoord. Die heb ik even geschoren.’

En wat vertel je ze dan?

Martin: ‘Dat ze naar Sir David Attenborough moeten kijken. Een fenomeen. Hij is een voorbeeld voor me geweest. Hij laat dieren in hun waarde en zegt dat je ze niet moet pesten om ze tot gedrag te laten komen.’

Sacha: ‘Je moet respect voor ze hebben.’

Martin: ‘Dus ik ga niet een brilletje opzetten en een cobra net zolang uitdagen totdat hij het gif naar mijn ogen spuit.’

Had je ooit gedacht dat je hier zou zitten in je eigen dierencentrum?

Martin: ‘Nee, absoluut niet. Ik ging het vlees in. Ik kom uit veertien generaties slagers. Dat is belachelijk, zeg. Ik ben een uitzondering geworden.’

Je ging eerst in de staal werken. Werd het je kwalijk genomen dat je uit die traditie stapte?

‘Ik denk dat mijn vader teleurgesteld was dat mijn broer en ik het bedrijf niet overnamen. Hij heeft zich altijd zorgen gemaakt of het wel goed met me zou komen. Dus ik denk dat hij aan de andere kant wel heeft gezegd: Godzijdank.’

Maar, staal?

‘Een Amerikaan die mijn eerste baas na het vlees zou worden, zei: “Man en staal hoort bij elkaar, vrouw en vlees is zwak.” Ik dacht: die man heeft helemaal gelijk. Ik kocht op een zaterdag een staalgrijs pak en zei tegen mijn vader: maandag ben ik uit het vlees. Na een jaar of drie was ik onderdirecteur, en toen zei de directeur: jij moet voor jezelf beginnen, want je kunt hier niet doorgroeien. Waarop hij de hele aluminiumvoorraad aan me verkocht. Ik mocht die in drie jaar afbetalen. Dat was erg aardig van hem.’

Wanneer hield het op in de staalhandel?

‘Toen ik een jaar of 30 was. Ik werkte me drie slagen in de rondte en wilde rustiger aan gaan doen. Ik dacht: laat ik maar een dierenhotel gaan beginnen, want dat was mijn liefhebberij. Dat bleek de grootste fout aller tijden. Ik had het drukker dan ooit, want dieren zijn er altijd. ’s Nachts, ’s zondags, ’s zaterdags, vakantie hebben ze nooit. En als iedereen met vakantie is, dan kunnen wij dus niet. Het was een ernstige vergissing, maar niet gehinderd door enige kennis doe je dat.’

Het is wel een gekke stap, van staal naar dieren.

‘We hadden zelf honden. Ik had twee Duitse Doggen en die ging altijd met me mee.’

Maar hoe kom je op het idee om een hotel te beginnen?

‘Omdat ik zo’n idioot ben dat als ik een dier heb en ik wil er iets van weten dat ik er dan alles over ga lezen. En ik zat bij een kynologenvereniging, waar ik werd gegrepen door het gedrag van honden. Als je dan op een veldje loopt met allerlei honden, is het leuk om aan iedereen te vertellen wat je toevallig allemaal weet. Want ik heb geldingsdrang en ik ontleen daar kennelijk een identiteit aan. Mensen denken dan: goh, wat weet die man veel.

‘Dat stimuleerde mij. Toen hoorde ik dat mensen niet met vakantie gingen omdat er geen dierenhotel was, alleen boerderijen die zichzelf dierenpension De Kluif of Ark van Noach noemden.’

Wat is dan het verschil?

Martin: ‘Een dierenhotel was toen wij er mee begonnen heel uniek. We deden aan sociale huisvesting.’

Sacha: ‘Dat gebeurde in die tijd helemaal niet, dat dieren samen gezet werden.’

Martin: ‘Je kon voer kiezen en de honden werden uitgelaten. Er was semi-airconditioning en muziek in de verblijven. Onmiddellijk kwam de televisie hier naar toe. En binnen drie, vier jaar dreigden we failliet te gaan.’

Sacha:Martin: ‘Martin had bedacht dat hij zes maanden per jaar vol zou zitten. Maar dat werden drie maanden per jaar.’

Martin:Martin: ‘Zes weken in het begin.’

Hoe hebben jullie het gered?

Martin: ‘Door altijd hoop te houden. En nieuwe dingen te doen.’

Sacha: ‘Door de hondenschool te beginnen. Een interne hondentraining was uniek in die tijd. Je kon met je hond wel naar school, maar dan moest je al een leuke gezellige hond hebben. Moeilijke honden konden nergens terecht. Het was of aan de ketting, of naar de dierenarts. Martin had ontdekt dat honden sociaal worden als je ze samen plaatst. Ze voeden elkaar op.’

Martin: ‘Op zaterdag had ik open spreekuur, hier in Lelystad op de weg. Kwamen er dertig tot veertig mensen uit het hele land met honden die mensen opaten, andere honden opaten. Ik was daar met een snelheid therapie aan het doen van heb ik jou daar.’

Was dat soms bluf?

‘Het was eigen schuld, dikke bult. Als een hond zich onprettig voelt, dan valt hij uit. Als je zo veel honden doet, dan leer je het razendsnel.’

Zei je ook wel eens: ‘Ik heb echt geen idee wat er met deze hond aan de hand is’?

‘Ja, er zijn honden die onberekenbaar zijn. Dat leer je. Honden die vrolijk en blij kwispelend naar je toe komen en die je dan een grauw geven. Of je bijten. Die zijn heel link. Ik had allemaal beten in mijn lijf. We worden nog wel gebeten, maar we weten nu heel goed hoe het moet. Vroeger corrigeerden we honden, nu bevestigen we het goede gedrag en negeren we verkeerd gedrag.’

Net kinderen.

‘Het is eigenlijk andersom, ze hebben het van ons geleerd hoe je met kinderen om moet gaan. Daarom zeggen we ook tegen iedereen die ouder wil worden: ga eerst een hond opvoeden.’

Wat herinneren jullie je als kinderen van het bedrijf?

Martin: ‘Uitgebuit heb ik ze.

Sacha: ‘Nee.’

Martin: ‘Kinderarbeid.’

Sacha: ‘Aan de ene kant was het erg leuk. Wij hebben altijd mee gewerkt, al heel jong stonden wij op zondagochtend om half zes op om schoon te maken. Maar in mijn jonge jeugdjaren heb ik ook vooral gezien dat mijn ouders verschrikkelijk hard moesten werken en het financieel heel zwaar hadden. Als kind waren we allebei niet van plan in de zaak te gaan.’

Wat wilde jij worden?

Sacha: ‘Journaliste. Maar na een jaar op de academie voor journalistiek werd ik een drop-out. Ik vond het helemaal niks. Ik wilde de vakken tv en tijdschrift doen, maar dat zat niet in het zelfde cluster. En Spaans en Frans kon ook niet samen. Toen was ik het zat en dacht: Ik ben 19 en ik kan het zelf.’

En?

‘Ik werd au pair in Brussel. Daarna werkte ik bij een tijdschrift, maar dat ging failliet. Ik ontwikkelde een nieuw blad: Rijbewijs, over veilig weggedrag. Daar geloofde ik heilig in. Dat blad flopte natuurlijk verschrikkelijk, want iedereen die zijn rijbewijs heeft, vindt dat hij kan rijden. Ik dacht: wat zal ik nou eens gaan doen, want ik kan eigenlijk niks. Ik ging meewerken aan het tijdschrift van mijn ouders, Dierenmanieren, mensenmanieren. Dat draaide vrij goed. Toen heb ik ontslag genomen en zijn we hierboven een provisorisch redactietje begonnen. En zat ik ineens weer bovenop het bedrijf.’

Serge, wat wilde jij worden?

Serge: ‘Sportleraar. Maar daar bleek geen droog brood mee te verdienen. Dus ging ik naar de Hogere Hotelschool. Ik ging van donderdag tot zondag in de horeca werken, en hier van maandag tot donderdag. Mijn ouders dachten: dat komt nooit goed met dat gefreewheel en vroegen me voor de receptie. Daarna werd ik directieassistent en ging ik een hondencrematorium beheren. Ik wilde graag de zaak overnemen, maar onze producten verkopen aan dierenartsen, daar had ik zo’n hekel aan. Ik ben mijn vader niet. Ik werd als schoffie behandeld, maar als Martin kwam, dan liet iedereen alles uit de handen vallen. Die positie heeft hij met sappelen verworven.’

Iedereen kent hem als presentator van Dierenmanieren.

Martin: ‘Dat is 25 jaar televisie. Dat is zo lang, op een gegeven moment weet je het niet eens meer.’

Serge: ‘Ik besloot terug te gaan in het hotelvak. Na twee jaar ging ik de telecom in. Toen heb ik een grote fout gemaakt door weer te gaan verkopen. Dat was nodig, om promotie te maken. Zo liet ik me in een positie drukken waarvan ik wist dat ik het niet leuk vond.

‘Uiteindelijk ging hier iemand weg die verantwoordelijk was voor de geleidehondenschool. Mijn ouders zeiden toen: wil jij dat niet proberen? Dat was tien jaar geleden.

‘Sacha en ik hebben vier jaar geleden allebei een gedeelte van de zaak overgenomen. Ik doe samen met mijn vrouw Tamara het dierenhotel, de dierengeleidehonden school en het asiel. Sacha doet het tijdschrift, het gedragscentrum, de hondenscholen en de opleidingen.’

Sacha: ‘We hebben nog even gedacht dat we samen het hele bedrijf moesten overnemen. Maar Serge en ik zijn heel verschillende persoonlijkheden. Wij werken goed samen – op deze basis. Ik neem snel een beslissing, en dat kan dan een foute zijn, maar dan is ie wel genomen. Serge zoekt alle informatie bij elkaar en overweegt het veel beter. We kunnen soms wel met elkaar bakkeleien: Hij vindt dat ik niet voldoende nadenk en ik vind dat hij er te lang over doet.’

En waar ben jij in zulke discussies?

Martin: ‘Ik bemoei me overal mee. Ik weet het altijd beter. Bij mij ontstaat een soort vaderrol.’

Dat is niet zo gek.

‘Het is wel vervelend. Ik zeur. Ik kan me voorstellen dat het lastig is voor degenen die dicht bij me staan.’

Hoe ervaren jullie dat?

Sacha: ‘Nou, ik zou Martins rol niet automatisch als de vaderrol willen omschrijven. Nee. Ik vind Martin meer de voormalige eigenaar die vindt dat er nu andere dingen gebeuren met zijn zaak dan hij zou willen.’

Maar hij is je vader.

Sacha: ‘Ja. Dat heeft een heleboel voordelen, maar ook nadelen. Het gedragscentrum is van maandag tot en met vrijdag open; dat past helemáál niet in de structuur van mijn ouders, want die waren zeven dagen per week open en altijd telefonisch bereikbaar. Dat ik daarin mijn eigen beslissing neem, vindt Martin heel, heel moeilijk.’

Hoe hebben jullie het praktisch geregeld? Jij bent helemaal uit het bedrijf?

Martin: ‘Nee, ik doe van alles.’

Als werknemer? Krijg je salaris?

Sacha: ‘We betalen hem per dagdeel.’

Hebben jullie je deel gekocht? Of hebben jullie het van pa gekregen?

Martin: ‘Ze hebben het gekocht. Dat is mijn pensioen.’

Wat kostte het?

Sacha: ‘Veel. Genoeg. We zijn aan het afbetalen.’

Serge: ‘De komende twintig jaar waarschijnlijk nog wel.’

Verdient het goed, dit vak?

Sacha: ‘Nee. Je kunt ervan leven. Wij hebben het gemakkelijker dan veel anderen, omdat het een uniek bedrijf is met een bekende naam. Maar we zijn niet de zaak in gegaan omdat we dachten dat we er rijk van zouden worden. Wel omdat het een uniek bedrijf is. Martin heeft in dertig jaar zijn naam enorm uitgebouwd. Zeker vroeger was hij nogal zwart-wit, waardoor mensen hem óf geweldig of vreselijk vonden, maar ze vonden hem in elk geval altijd kundig. Daarmee kunnen wij veel mensen bereiken.’

Het had ook gekund dat jullie je er tegen hadden afgezet, omdat jullie er niks mee te maken wilden hebben? Waarom is dat niet gebeurd?

Sacha: ‘Ik heb het dierenbedrijf altijd al heel boeiend gevonden en dan zit je hier boven op de redactie en dan maak je het allemaal heel erg mee, de dynamiek van het bedrijf, en alles wat er in gebeurt. Dat trekt gewoon.’

Wat is een Gaus-eigenschap waardoor jullie dit allemaal kunnen?

Serge: ‘Als ik dat voor mezelf mag zeggen, is het de vraag: Wat kan beter?’

Sacha: ‘Nou ja! Dat is het eerste waar ik aan dacht: Alles kan altijd beter.’

En wat is een slechte Gaus-eigenschap?

Sacha: (lachend): ‘Alles kan altijd beter.’

Serge: ‘Mijn vader is daar het meest extreem in. Groot of goed is niet groot of goed genoeg. We hebben toch wel een soort expansiedrift.’

Vermoeiend.

Serge: ‘Heel vermoeiend. Wij wilden nooit een leven zoals mijn ouders hadden met 80 uur werken in de week en soms wel meer, maar we doen nu precies hetzelfde. Wij, of in elk geval ik, werk zeven dagen in de week. Ik ben vaak niet voor half negen ’s avonds thuis.’

Sacha, jij hebt een zoon. Heb jij kinderen, Serge?

Serge: ‘Nee, ik heb negen honden, dat is voldoende.’

Sacha: ‘Ik wilde eigenlijk nooit kinderen. En dacht dat het aan me voorbij zou gaan, maar ik was 35 en boem, toen ineens wel. Toen dacht ik: ik heb altijd mijn prioriteiten weten te stellen, dus ik ga het gewoon combineren, ook al heb ik net het bedrijf overgenomen.’

Serge: Het grote verschil is, ik doe het dierenhotel en de verzorging van dieren is natuurlijk een continu iets.’

Martin, heb jij het altijd zo gewild, de voortzetting van je bedrijf?

‘Ja, natuurlijk. Als een bedrijf een ziel krijgt omdat je niet alleen zaken doet, maar ook een overtuiging uitdraagt, dan is het heel moeilijk om het over te doen aan iemand die dat gevoel helemaal mist. Omdat de kinderen het met de paplepel ingegoten hebben gekregen, blijft de ziel in het bedrijf. En dat geeft trots.’

Wat zijn je toekomstplannen?

Martin: ‘Een nationaal voorlichtingscentrum voor huisdieren. Een jaarbeursachtig geheel aan de andere kant van de A6 waar allemaal winkels zijn van de industrie, een eigen televisiestudio – als je over dieren, natuur, milieu praat, dan schakelen we naar Lelystad – collegezalen, een enorm centrum voor blindengeleidehonden en een campus. Dat bestaat nog nergens.’

En dat heeft niet te maken met het feit dat het eigenlijk niet nodig is?

‘Nee, het is heel erg nodig. Mensen die in de dierenbranche werken, hebben meestal van hun hobby hun vak gemaakt. Het is liefhebberij. Serge heeft hotelschool, Sacha heeft een uitstekende opleiding, wij zijn bezig om op commercieel gebied continuïteit te creëren, maar dat moet gekoppeld worden aan idealen.

‘Als je dat voelt, dan weet je dat nu het moment gekomen is. Het is ook een hele grote markt, de dierenmarkt. Er wordt jaarlijks 2,7 miljard euro in omgezet.’

En, wanneer staat het er?

‘Volgend jaar. Hopelijk. Het is heel spannend, buitengewoon duur en alles wat hier staat moet afgebroken worden en herbouwd. Een klus van tien miljoen euro.’

Wat een plan.

Martin: ‘Dit weet niemand overigens nog. Dat vertel ik vandaag voor het eerst. Maar we zijn er al lang mee bezig. De buren hebben last van hondengeblaf; de gemeente wil ook dat we verhuizen. Dat willen we wel, maar dan moet er wel wat gebeuren. De koppeling met dat evenementencentrum is heel logisch. Er is zo veel grond en omdat ook de universiteit van Wageningen met ons wil samenwerken, ligt het voor de hand om dit te gaan doen.’

Hoe gaan jullie het zakelijk doen?

Sacha: ‘De verdeling blijft zoals die is, al is het mogelijk dat daar dan nog een andere partij bijkomt. We hebben het er nog niet helemaal over gehad, maar het is niet de bedoeling dat we dan met z’n drieën eigenaar van één bedrijf gaan worden, het zal gesplitst blijven. Misschien wordt Martin wel eigenaar van een deel van het bedrijf.’

Martin: ‘Nee hoor, ik word niks. Ze moeten het met z’n tweeën doen. En een derde partij is een gevaar. Iemand van buitenaf, daar heb ik een hekel aan.’

Meer over