Hof VS tempert juichen in jacht op bedrijfsboeven

Voor de werknemers van accountant Arthur Andersen is het te laat. Maar een rechterlijke uitspraak bewijst dat aanklagers soms te ver gaan in de jacht op witteboordencriminelen....

Van onze medewerker Diederik van Hoogstraten

De veroordeling van het Amerikaanse accountantskantoor Arthur Andersen veroorzaakte al in 2002 gemengde gevoelens. Als de toonaangevende boekhoudfirma een rol speelde in de megafraude bij energiebedrijf Enron, zoals de jury in Houston destijds oordeelde, was het natuurlijk prima dat Andersen op z’n kop kreeg.

Maar gingen de gevolgen van de uitspraak niet wat ver? De onderneming ging tenonder. 28 Duizend Amerikaanse werknemers – die voor het overgrote deel niets met Enron te maken hadden – verloren hun baan.

Intussen gingen de meeste hoofdrolspelers uit Andersens top vrijuit, want justitie vervolgde vrijwel geen individuen. Sterker, de topmanagers vonden ander, en vaak lucratiever werk bij andere firma’s. De ironie bleef woensdag niet onopgemerkt in de media: de voormalige Andersen-top verkaste en vond makkelijker werk dan ooit, juist omdat grote bedrijven hulp nodig hadden bij hun boekhouding, die justitie en beurstoezichthouder SEC scherper dan ooit in de gaten hielden.

Het jachtseizoen op corrupte topmanagers en frauderende accountants was in 2002 geopend. Niemand keek kritisch naar de handel en wandel van de aanklagers; hun jacht op Enron, telecombedrijf WorldCom en daaraan gelieerde ondernemingen als Andersen werd aangemoedigd. De bedrijfsboeven moesten hangen en het zakenleven werd door de politiek aan banden gelegd middels de Sarbanes Oxley-wet.

Dinsdag oordeelde het Hooggerechtshof in Washington dat de schuld van Andersen niet was bewezen. In een unanieme, heldere uitspraak keerde het hoogste hof de uitspraken van de jury en het eerste beroepshof om. De lat was door de rechter, onder invloed van de aanklagers, veel te laag gelegd.

De vraag was in het oorspronkelijke proces of Andersen documenten had vernietigd om het strafrechtelijke onderzoek naar Enrons fraude dwars te zitten. Nee, heeft de firma steeds betoogd, die papierversnippering was een interne regel, en ze werd stopgezet zodra de dagvaarding binnenkwam. Jawel, redeneerden de aanklagers, Andersen zat in een ‘samenzwering’ met Enron en vernietigde willens en wetens documenten die de corruptie konden aantonen.

De korte uitspraak stelt dat de rechter in haar instructies aan de jury helderder had moeten zijn. Volgens de wet moest bewezen worden dat de beklaagde ‘welbewust’ trachtte om het onderzoek te ondermijnen, wat de jury niet concludeerde omdat ze het niet hóefde te concluderen om tot een schuldigverklaring te komen. Bovendien toonden de aanklagers niet aan dat de bewuste documenten ooit een hoofdrol in het onderzoek zouden spelen.

Een nieuwe strafzaak is mogelijk, maar niet waarschijnlijk. Het proces tegen Enron is al in volle gang, zonder dat Andersen hierin een rol speelt. De boekhoudfirma is al zwaar gestraft met een feitelijk faillissement; in St. Charles (Illinois) werken nog tweehonderd mensen die zich vooral bezighouden met een reeks civiele processen tegen Andersen.

Een gevolg van de uitspraak, die gisteren alle voorpagina’s in de VS haalde, is dat de hoera-stemming in de jacht op bedrijfsboeven enigszins is getemperd. Met de snelle veroordelingen en harde straffen van een reeks frauderende toplieden ontstond de afgelopen jaren het gevoel dat ‘we’ – dat wil zeggen: Washington – tenminste íets deden namens getroffen aandeelhouders en werknemers. Nu blijkt dat over-enthousaiste aanklagers en rechters ook te ver kunnen gaan.

Voor één persoon kan de uitspraak concreet effect hebben. Frank Quattrone werkte bij Credit Suisse First Boston, de zakenbank, toen hij in 2000 de opdracht gaf om mogelijk belastende documenten te vernietigen. Hij werd hiervoor veroordeeld, maar ging in beroep.

Meer over