Het Onzichtbare China

Het Aziatische economische wonder kan worden toegeschreven aan de Chinese diaspora. De opmars van de regio was ondenkbaar geweest zonder de wijdvertakte familiebedrijven van emigranten: het bamboenetwerk....

TOINE BERBERS

TOEN Lucio Tan twee jaar geleden met een verrassende coup Philippine Airlines (PAL) inlijfde, schreeuwde Manilla's politieke en financiële elite moord en brand. Een miljardair, die wegens zijn innige vriendschap met dictator Ferdinand Marcos eigenlijk in de diepste kerkers had moeten zuchten, veroverde met een ultraschimmige koehandel een meerderheidsaandeel in 's lands meest toonaangevende bedrijf.

Het was een riskante 'meesterzet' van de duistere zakenman. Aan Tans handen kleefde niet alleen de corruptie van de Marcos-jaren, hij was ook nog een etnisch Chinees. Tan gokte erop dat president Fidel Ramos zijn brutale transactie niet zou afstraffen. De straat vond het ongehoord dat de nationale luchtvaartmaatschappij in handen kwam van een insik, het Filipijnse scheldwoord voor de migranten uit het oude Keizerrijk, die ervan werden verdacht achter de schermen machtsspelletjes te spelen.

Juist deze Chinees had de schijn tegen. In de marmeren directiekamers van Makati, Manilla's glimmende zakenwijk, was men wel wat gewend, maar Tans manoeuvre sloeg alles. Hij bleek drie jaar tevoren in het geheim de privatisering van het door wanbeheer aan lager wal geraakte bedrijf gefinancierd te hebben. Zijn partner, Antonio 'Tony Boy' Cojuangco, had verzuimd dat gegeven aan de andere deelnemers te melden.

Net als in Indonesië, Thailand en Maleisië vertrouwen nationale leiders vitale sectoren van de economie aan buitenlanders toe. Philippine Airlines heeft Tan nodig. Deze parel in ondernemersland gold dertig jaar geleden als Azië's beste luchtvaartmaatschappij, maar is door overheidsbemoeienis en nepotisme zo uitgekleed dat modernisering van de verouderde vloot onmogelijk werd.

De kapitaalkrachtige buitenstaander Tan was de reddende engel. Hij beloofde het bedrijf in de lucht te houden met nieuwe Boeings en Airbussen. De regering denkt dat de alleskunner daarnaast in hoog tempo achterstallig onderhoud wegwerkt. Afvloeiing van overtollig personeel en uitbanning van kostbare gratis vliegreisjes voor ambtenaren moeten de maatschappij kort na de eeuwwisseling weer winstgevend maken.

Lucio Tan is zo de belichaming geworden van de succesvolle Chinese migrant, met welke gemengde gevoelens die ook wordt bekeken. Overal in Azië dwingen de miljoenen die de rampspoed van keizerrijk, burgeroorlog en communistisch wanbeleid ontvluchtten, bewondering en ontzag af door hun werklust. Maar dat slaat, als er zondebokken gebonden moeten worden, gemakkelijk om in nijd en afgunst.

Aan de ene kant is daar Tan, die met zijn zakeninstinct een imperium bouwde dat duizenden voorspoed brengt en waarbij vrienden in tijden van nood altijd kunnen aankloppen. Aan de andere kant is er de insik, die stiekem handjeklap speelt met dictators, schatrijk wordt door het in de wacht slepen van gunsten en met bijna mysterieuze krachten dingen gedaan krijgt.

Tan, die als kind uit de Zuid-Chinese provincie Fujien zonder een draad aan zijn lijf in Manilla arriveerde, bouwde zijn imperium op een van Marcos verkregen tabaksmonopolie. Eenmaal aan de top, groot geworden met heimelijk gesjacher, werd hij niet alleen getolereerd, maar zelfs gretig betrokken in de ontwikkeling van het land.

Behendig bleef hij uit de handen van de Filipijnse justitie. Tan stond hoog op de zwarte lijst van Marcos-maatjes uit het ancien regime, met wie nog afgerekend moest worden. Maar de tycoon koos in zijn tegenoffensief gewiekst de 'goede' zakenvrienden. Tony Boy is de neef van oud-president Cory Aquino, die met haar gele revolutie de kleptocratie van Marcos ten val bracht en diens Chinese zakenvriend achter tralies wenste. Tony Boy was voor Lucio Tan een paspoort dat toegang verschafte tot de nieuwe elite.

Ook Aquino's opvolger, Fidel Ramos, kon Tans bloed wel drinken. Hij decreteerde zijn medewerkers, na z'n beëdiging in 1992, dat 'de vette vis' wegens belastingontduiking binnengehaald moest worden. Maar drie jaar later moest Ramos zijn nederlaag impliciet toegeven, door het blufpoker met de nationale trots toe te staan. De luchtvaartbaron kon zich zelfs een brouille met Tony Boy permitteren. Onlangs verklaarde een presidentiële medewerker: 'Het is onwaarschijnlijk dat er nu nog tegen Lucio wordt opgetreden.'

Het optreden van magnaten als Tan is de dagelijkse economische realiteit in Azië. In Indonesië is driekwart van de beursgenoteerde bedrijven in Chinese handen, waaronder negen van de tien grootste concerns. De omvangrijke Chinese minderheid in Thailand zwaait de scepter over de grootste banken en industriële ondernemingen. In Maleisië is bijna de hele economie in handen van de Chinezen, die eenderde van de bevolking vormen.

Maar hun schijnbare immuniteit maakt hen tot mikpunt van discriminatie. In Indonesië is de Chinese minderheid regelmatig doelwit van ongeregeldheden. In Tans Manilla worden jaarlijks honderden familieleden van de Chinese zakenelite ontvoerd. Slachtoffers handelen de affaires het liefst zelf af, omdat ze de politie niet vertrouwen. In Maleisië hebben de Chinese minderheid en de Maleise meerderheid geleerd met elkaar te leven. Maar de modus vivendi is zo teer, dat als premier Mahathir Mohammad de schuld voor de valutacrisis bij de joden legt, een bankier opmerkt: 'Hij zegt joden maar hij bedoelt Chinezen.'

De emigrés vormen in de kapitalistische enclaves van Singapore, Hongkong en Taiwan het 'onzichtbare China', dat met zestig miljoen 'onderdanen' een formidabele macht is. Overzeese landgenoten speelden begin deze eeuw een belangrijke rol in de omverwerping van het keizerrijk. Zij steunden Sun Yat-sen, de eerste president van de Republiek.

Nadat ze in 1949 tijdens de burgeroorlog het onderspit hadden gedolven tegen de communisten, wierpen ze zich op de ontwikkeling van de economie. Terwijl het vasteland van de ene catastrofe naar de andere strompelde, ontwikkelde het bamboenetwerk zich tot een van de vitaalste deelnemers aan de wereldeconomie.

James Tam, economiedocent aan de Universiteit van Hongkong, berekende dat de 'Chinese diaspora' een bruto nationaal product heeft van bijna duizend miljard gulden, slechts een fractie minder dan dat van het moederland China. De ontzagwekkende reserves van dit bamboenetwerk worden nu gebruikt om het communistische vaderland om te toveren in een bloeiende consumentenmaatschappij.

China's snelle economische opmars en de rol daarin van de overzeese volksgenoten, stimuleerden het onverwoestbare optimisme in de eigen succesformule. De Aziatische eeuw was nakend. Het 'onzichtbare rijk' stond klaar om een hoofdrol op te eisen in de adembenemende metamorfose die de loop van de wereldgeschiedenis zou ondergaan.

Maar afgelopen zomer is de mythe van de Aziatische excellence doorgeprikt. Het begon op 2 juli met een valutacrisis in Thailand. 'Een oprisping', riepen verstokte gelovigen als Singapore's Goh Chok Tong, in een poging het onheil te bezweren. Maar enkele maanden later was het gedaan met de onaantastbaarheid van Azië's veelgeroemde economische wonder.

'Een verbazingwekkende obsessie', noemde de Amerikaanse econoom Paul Krugman de overtuiging dat Azië dermate uitzonderlijk was dat het onder andere economische wetten viel dan het Westen. Krugman had zich al eerder impopulair gemaakt met de voorspelling dat de ontwikkeling van het Verre Oosten na een inhaalrace zou stagneren.

Naast de angst voor discriminatie door Javanen, Thais en Filipino's loert nu een nieuw gevaar. Kunnen de stamvaders van het bamboenetwerk zich staande houden in het Azië van na de valutacrisis? Zal Lucio Tan zijn luchtlijnen gewoon inpassen in zijn concern, of is hij in staat nieuwe bezems te introduceren die wél schoonvegen?

De Chinese familie-imperiums hadden Krugman niet serieus genomen en bleven hangen aan de basisregel die hen groot maakte: bouwen op bloedverwanten. In de Chinese cultuur, met zijn geschiedenis van dramatisch verraad en huiveringwekkend bedrog, kan alleen eigen volk, 'de kongsi', worden vertrouwd.

De loyaliteit gaat heel ver. Ze kan worden teruggeleid naar de dorpen in Guangdong en Fujien, de twee zuidelijke provincies waaruit bijna de hele diaspora afkomstig is. In tweede instantie valt de zakenman terug op streekgenoten, pas dan op de naburige provincie. In de Maleisische havenstad Penang getuigen zeven oude havenpieren tot vandaag van evenzoveel kongsi's die anderen niet vertrouwden en buiten hun eigen handel wensten te houden.

Met zorgvuldige koestering van persoonlijke connecties konden enorme contracten mondeling worden afgesloten, zónder dat er advocaten, accountants of griffiers aan te pas hoefden te komen. De korte hiërarchische lijnen werkten flexibiliteit in de hand. Familiehoofden konden snel inspelen op nieuwe zakelijke kansen. En zat de pater familias even krap bij kas, dan viel er via het bamboenetwerk altijd snel wat te regelen.

Haalbaarheidsstudies of gecompliceerde onderhandelingen over bankkredieten zijn wat het bamboenetwerk betreft van een andere planeet. 'Pluk het moment', was steeds het devies. Zo ontstonden ondoorzichtige comglomeraten met tentakels in uiteenlopende sectoren als kippenvoer, motorfietsen en noedelmaaltijden (Charoen Pokphand uit Thailand), banden, bier en huishoudelijke artikelen (CSI uit Indonesië), of houtkap, kranten en suiker (Robert Kuok uit Maleisië).

Soms werden dochterbedrijven genoteerd op de beurs in Singapore of Hongkong, maar de magnaat regelde dat het lucratiefste deel van het moederbedrijf onder zijn persoonlijke controle bleef, zodat snel kapitaal van de ene naar de andere tak overgeheveld kon worden.

Groot was goed. Omvang betekende alles voor overheden die moesten beslissen over een levering of een bouwvergunning. Overtollig personeel kon door de 'omvang' bovendien eenvoudig worden herplaatst. Chinese familiebedrijven haten ontslag. De loyaliteit gaat ook van boven naar beneden: een baan is als het even kan voor het leven gegarandeerd.

Maar deze oude, veelbeproefde bedrijfscultuur heeft zijn grenzen bereikt. Veel imperia zijn te groot en te wijdvertakt om afdoende te reageren op nieuwe kansen. De patriarch, niet bereid de teugels uit handen te geven, weigert hardnekkig te delegeren. Maar zelfs de grootste familie beschikt slechts over een beperkt aantal zonen en neven. En of die talentvol zijn, is dan ook nog de vraag.

Economen wijzen er op dat de verouderde gewoonten in het bamboenetwerk verkeerd beginnen uit te pakken. De familiehoofden mijden de meer ingewikkelde sectoren van de economie als autoproductie, luchtvaart en high-tech, die jarenlang investeren in onderzoek en productontwikkeling vereisen.

Volgens Gordon Redding, hoogleraar bedrijfskunde aan de Universiteit van Hongkong, dreigt het bamboenetwerk de boot te missen bij de komende ronde van industriële vernieuwingen. 'Chinese families hebben een bloedhekel aan de bureaucratie van multinationals en voelen zich bij de keuze van hun activiteiten aangetrokken door ouderwetse overzichtelijkheid.' Hij noemt scheepvaart, hotelwezen, voedselhandel en het onvermijdelijke onroerend goed. 'Hier zijn de oude vossen sterk. Maar vraag ze niet naar high-tech', zegt Redding.

Sommige magnaten willen zelfs van het axioma af dat de bedrijfsleiding in handen van nauwe verwanten moet blijven. 'De grootste kopzorg voor een familiebedrijf is de familie zelf', zegt de 46-jarige Ronald Chan. 'Als het geld binnenstroomt, gaat het jachtinstinct verloren', voorspelt de jonge tycoon, die krachtig leiding geeft aan het vastgoedimperium Hang Lung in Hongkong. Zijn hoofdkwartier op de 29ste verdieping biedt uitzicht op een oerwoud van kantoortorens in het zakencentrum, waar het familiebedrijf onder zijn vader groot is geworden.

'De tweede generatie heeft nog wel de geest om het bedrijf uit te breiden, want die weet hoe de ouders zich uit de naad hebben gewerkt, maar voor de verwende derde generatie heeft geld zijn betekenis verloren.' In een wereldeconomie die steeds meer één wordt, kunnen de meeste familiebedrijven niet meer meekomen, voorspelt Chan, die zelf bedrijfskunde heeft gedaan aan de universiteit van Zuid-Californië. Zijn twee tienerzonen stoomt hij liever niet klaar voor Hang Lung, hij hoopt een opvolger te vinden binnen de bestaande staf van deskundigen.

Maar de meeste patriarchen moeten niets hebben van deze nieuwlichterij. Op Taiwan heeft het succesvolle familiebedrijfsleven zo'n welvaart gebracht, dat de meeste directeuren er niet over peinzen de teugels over te dragen aan vreemden. In de Straits Exchange Foundation in Taipei vertelt voorzitter Koo Chen-fu over de moeizame conctacten die zijn regering met de Volksrepubliek onderhoudt over posterijen, visrechten en telefonie. Maar zijn ogen gaan twinkelen als de nieuwste zakelijke belangen van zijn onmetelijk rijke familie ter sprake komen.

Die heeft haar vrienden in het bamboenetwerk geschaard rond het idee van een nieuwe, voor honderd procent Aziatische bank. 'Iedereen is enthousiast, omdat we er ons vertrouwen in de regio mee uitspreken', zegt Koo, een adviseur van president Lee Teng-hui. De leiding van de nieuwe bank met zijn vele internationale partners komt

in handen van een familielid, neef Jeffrey. Verandert de Koo-groep dus niet mee? Toch wel, de neef is 'een jonge, ambitieuze bankier, opgeleid op Wharton, in de VS.' 'De Koo-groep is klaar voor de nieuwe tijd', zegt oom Chen-fu.

Westerse economische goeroes voorspellen het einde van het nepotisme. Ook vastgoed-ondernemer Chan in Hongkong gelooft dat Azië op de oude manier nooit een sterke regio kan worden. Zoals de doorsnee Aziatische regering haar crisis moet bedwingen met ingrijpende deregulering en liberalisering, zo zal de Chinese patriarch zijn weerzin moeten overwinnen en meer dan een dun laagje moderne bedrijfskunde op het bamboenetwerk moeten aanbrengen.

Familiehoofden kunnen moeilijk wennen aan het idee dat er iets veranderd is, sinds in de vijftiende eeuw hun eerste voorvaderen zich in Malakka vestigden. Econoom James Tam in Hongkong bevestigt dat de oude bedrijscultuur ten dode is opgeschreven. Maar hij is niet zo somber als Chan. 'De oude vossen hebben het paard van Troje binnengehaald door hun kinderen naar dure Britse en Amerikaanse universiteiten te sturen', zegt hij. Die jongeren hebben gezien hoe het anders kan en zoeken naar verandering.

Tam ziet al gunstige voorbeelden. Hongkongse miljardairs als Henry Cheng van New World, Li Ka-shing van Hutchison Whampoa (onder meer eigenaar van de haven van Panama) geven de directeuren van hun dochterondermingen grote vrijheden. En Tam verwacht dat Philippine Airlines er onder Lucio Tan bovenop zal komen. 'Tan is een netwerker van de oude stempel, die bijtijds de bakens verzet.'

Meer over