interviewPeter Wennink

‘Het ontbreekt chipmakers in Europa aan een netwerk van klanten en leveranciers’

De Europese Commissie wil meer fabricage van chips op Europese bodem en vroeg Peter Wennink, topman van chipmachinefabrikant ASML, om advies. ‘Het verbaast me hoe weinig de politiek weet van de chipindustrie.’

Peter van Ammelrooy
Medewerkers van ASML in de chipfabriek in Veldhoven. Beeld via REUTERS
Medewerkers van ASML in de chipfabriek in Veldhoven.Beeld via REUTERS

Chipmachinefabrikant ASML heeft een recordjaar beleefd, dankzij de coronacrisis die tot enorme tekorten aan chips leidde. De omzet steeg van 14 miljard euro in 2020 naar 18,6 miljard euro in 2021. De nettowinst ging van 3,6 miljard naar 5,9 miljard. Voor dit jaar wordt voorzien dat de Veldhovense onderneming in omzet Philips passeert, het voormalige moederbedrijf dat ASML in 1995 naar de beurs bracht.

Ook op andere terreinen heeft topman Peter Wennink geen klachten. Zijn bedrijf wordt een grote rol toegekend in het streven van de Europese Unie om meer weerwerk te bieden tegen de technologische overheersing van de Verenigde Staten en Azië.

Europa wil een grotere rol spelen in de mondiale chipfabricage. Het marktaandeel is nu krap 8 procent, dat moet 20 procent zijn in 2030. De Europese Commissie heeft ASML gevraagd daar een witboek over op te stellen. Waarom jullie?

‘Wat mij de afgelopen twaalf maanden heeft verbaasd is hoe weinig de politiek weet van de chipindustrie. En niet alleen politici. Ook autofabrikanten bleken geen idee te hebben. Die wisten niet wat voor chips er in hun auto’s zitten. Die kochten gewoon een ruitenwisser of een remsysteem in. Tot die niet konden worden geleverd. Hoezo een tekort aan chips, zeiden ze. Dan bouw je er toch een fabriek bij? Ja, maar die staat er niet morgen. Dat kost 3 jaar en 10 miljard euro.

‘Als de Europese Commissie dan advies wil over wat er moet gebeuren, is het niet zo gek dat ze uitkomen bij een bedrijf in Veldhoven dat een cruciale rol speelt in de uitbouw van de productiecapaciteit. En in de ontwikkeling van nieuwe chiptechnologie.’

Twintig jaar geleden stond 25 procent van de chipfabricage in Europa. Waarom is dat zo gekrompen?

‘Omdat alles goedkoper is in Azië is de fabricage daarnaar verplaatst. Chips werden niet gezien als een strategisch goed, dus niemand bemoeide zich er tegenaan. Inmiddels is het gebruik gigantisch toegenomen. Ze zitten overal in. Nu er tekorten zijn ontstaan, schrikt iedereen plots wakker en zien ze de achterstand die we in Europa hebben opgelopen.’

Is een marktaandeel van 20 procent dan genoeg?

‘Je moet relevant zijn. Ik denk dat 8 procent de uiterste ondergrens is waarbij je dat nog bent. Als de chipindustrie qua waarde nog een keer verdubbelt naar 1,2 biljoen dollar, zoals voorzien is tegen 2030, dan speel je met 4 procent en met fabrieken die hier 20 jaar geleden zijn neergezet geen enkele rol meer. Want dan worden de chips met de hoogste waarde allemaal in Azië gemaakt.

De Franse minister van Economische Zaken, Bruno Lemaire, zei in een toespraak vorige week dat Europa de slag om de chipfabricage gaat winnen. Daar werd om gegniffeld.

‘Luister, als je in 2030 een marktaandeel van 15 procent weet te veroveren, is dat al heel goed. Als je jezelf 20 procent ten doel stelt: prima, maar laten we aan het werk gaan. Want dan heb je wel een Europese Chips Act nodig, een juridisch kader waarbinnen je de stimulans die je nodig hebt vorm kunt geven.

De grote chipmakers zitten in Azië en de VS. Die kun je niet dwingen een fabriek in Europa neer te zetten.

‘Nee. Maar die chipfabrikanten zien ook wel dat de Europese industrie op sommige terreinen nog steeds leidend is. Kijk naar de vliegtuigfabricage, de ontwikkeling van auto’s en de klimaattransitie. De Europese industrie is een grootgebruiker van chips. Dus er is een afzetmarkt.

‘Maar de fabrikanten missen een ecoysteem, een netwerk van klanten, leveranciers, kennisinstellingen enzovoort, en dat levert wel risico’s op als je hier een fabriek neerzet. Dan begrijp ik wel dat je als Europa met subsidies de chipmakers een vette worst voor de neus houdt. Want als die fabrieken eenmaal hier zijn, komt de rest vanzelf. Daar ben ik van overtuigd. En dan betaalt die eerste fabriek de tweede, de tweede de derde enzovoort.’

Maakt het voor ASML uit of die nieuwe foundries in Europa komen te staan of elders?

‘Het maakt voor ons niks uit. Wij verkopen die machines toch wel. Dan kun je zeggen: Peter, waar bemoei je je mee. Maar dat is het punt niet. Sinds ik hier werk omarmt ASML het stakeholder-model: we werken niet alleen voor onze aandeelhouders, maar ook voor onze klanten, voor onze medewerkers en voor de samenleving. Een verantwoordelijke samenleving moet ervoor zorgen dat iedereen te eten heeft, werk heeft, toegang tot medische zorg, naar een goede school kan en een fatsoenlijk dak boven zijn hoofd heeft. Dan moet je als samenleving wel waarde creëren. Daar hoort dit ook bij.’