ColumnKoen Haegens

Het geheim achter de progressieve taal die de elite uitslaat: ‘Outsourcing’

null Beeld

Een van de grotere mysteries van de Nederlandse boardrooms is de verlinksing. Niet dat de bazen woensdag massaal een BIJ1-, SP- of GroenLinks-vakje rood kleurden. Het is een voorzichtige oversteek van conservatief- naar progressief-liberaal. In het vijfjaarlijkse Volkskrant-onderzoek naar de bestuurlijke elite kwam in 2010 de VVD nog als grootste naar voren. Tegenwoordig staat D66 riant aan kop.

‘We moeten ook kijken naar brede welvaart’, zei werkgeversaanvoerder Ingrid Thijssen maandag in deze krant. In een enquête van consultant PwC noemen 140 Nederlandse ceo’s ‘het terugdringen van klimaatverandering en milieuvervuiling’ de belangrijkste opdracht voor de overheid. Als ik niet beter wist, zou ik kunnen denken dat de stroom persberichten in mijn mailbox – over mensenrechten, duurzaamheid, zakenbank Goldman Sachs die 10 miljard dollar uittrekt voor zwarte vrouwen – afkomstig is van een overijverige Oxfam-medewerker.

In werkelijkheid gaat het om bedrijven die voor hun aandeelhouders zoveel mogelijk winst moeten maken. Hoe valt dat te rijmen? Een van de minder gehoorde verklaringen heeft alles te maken met uitbesteding. De afgelopen vier decennia zijn niet alleen de bedrijfskantine, de schoonmaker en de ‘plantenmanager’ (ook uw krant heeft er een) op afstand gezet. Grote delen van het productieproces zijn naar verre oorden geoutsourced. De fabricage van een auto of smartphone vindt verspreid over de aardbol plaats.

Van Adam Smith leren we dat die toegenomen afstand ook morele gevolgen heeft. Bij de grondlegger van de klassieke economie draaide alles om uitwisseling, in de breedste zin van het woord. Handeldrijven en zakendoen waren in zijn ogen zegenrijke activiteiten. Niet als anoniem proces, puur voor het geld, maar omdat het mensen dwong met elkaar in contact te treden. Zich in de ander te verplaatsen. Dat verdwijnt zodra we die ander niet meer zien. Bijvoorbeeld doordat lage transportkosten bedrijven in staat stellen hun spullen en diensten dáár te maken waar arbeid het goedkoopst is en de regels het soepelst.

Door werk uit te besteden verzorgen we, om in het juiste jargon te blijven, ook lage lonen, ellenlange werkdagen, CO2-uitstoot en milieuvervuiling niet langer in-house. Dat is hoogst actueel nu economen zich afvragen of de globalisering nog toekomst heeft. Een jaar geleden toonde de pandemie hoe kwetsbaar die het bedrijfsleven heeft gemaakt. Omdat in Azië toeleveranciers de deuren sloten om het virus in te dammen, dreigden Amerikaanse en Europese multinationals piepend en knarsend tot stilstand te komen.

Plotseling toonde alles en iedereen zich voorstander van kortere productieketens. Insourcing in plaats van outsourcing. Maar twaalf maanden later lijkt er nog helemaal niet zoveel te zijn veranderd. Zullen ondernemingen echt hun werkwijze omgooien? Of zien we iets over het hoofd in de kosten-batenanalyse die ze maken?

Mijn wilde gok: uitbesteding draait om meer dan alleen geld of flexibiliteit. Een zuiver blazoen, een schoon geweten, rust aan het thuisfront – dat is ook wat waard. Natuurlijk kunnen multinationals alles zelf doen. Maar dan worden de ceo’s ook weer aangesproken op de onvermijdelijke misstanden. Terwijl het net zo lekker voelde, dat gemijmer over een ‘grote reset’ van het kapitalisme.

Meer over