Het Delta-model: rijk achter de dijk

Nadat de 'Hollandse ziekte' Nederland jarenlang in het verdomhoekje plaatste, wordt ons land nu allerwege geprezen vanwege zijn voorbeeldige sociaal-economische beleid....

PAUL KALMA

NEDERLAND is de afgelopen maanden overladen met complimenten voor zijn sociaal-economisch beleid. Het 'Delta-model' (ook wel het 'Hollands' of 'Poldermodel' genoemd) maakt opgang in de wereld.

Dat ons land zijn overheidsfinanciën redelijk heeft gesaneerd; dat we in termen van nationaal inkomen en werkgelegenheid sterker groeien dan het Europese gemiddelde; en dat het sociale klimaat hier verhoudingsgewijs het beroerdste nog niet is - het wordt door buitenlandse politici en journalisten als één groot succesverhaal gepresenteerd.

'Bijna te mooi om waar te zijn' (The Economist). 'Nederland presteert het schijnbaar onmogelijke' (Die Zeit). En dan blijven de lofprijzingen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de Bundesbank (Nederland als 'primus inter pares'), Helmut Kohl zelf, The Wall Street Journal, de Neue Zürcher Zeiting en Le Nouvel Observateur ('le défi hollandais') nog buiten beschouwing.

Wat moeten we met deze aanzwellende stroom gelukwensen? De secretaris-generaal van het ministerie van Economische Zaken, A. Geelhoed, heeft daarover in zijn veelbesproken artikel in Economisch-Statistische Berichten (4 januari) een wat strenge, maar behartenswaardige opmerking gemaakt. 'Zo lang de lof tot voortdurend zelfonderzoek inspireert', aldus Geelhoed, 'is zij welkom, maar leidt zij tot zelfgenoegzaamheid dan is wantrouwen meer gepast.'

Voortdurend zelfonderzoek: als we daar eens een begin mee maakten.

De buitenlandse bewondering betreft eerst en vooral het financieel-economisch beleid van ons land. De staatsschuld is nog aanzienlijk, maar daalt wel; het financieringstekort en de collectieve lastendruk zijn, als gevolg van een krachtig bezuinigingsbeleid, verminderd.

Als de fans van het 'Delta-model' het daarbij zouden laten, was er niets aan de hand. Maar ze schrijven, al dan niet uit wanhoop over de problemen in eigen land, dat bezuinigingsbeleid bijna mysterieuze krachten toe. In de eerste plaats suggereren ze een min of meer oorzakelijk verband met onze huidige, bovengemiddelde economische prestaties; in het bijzonder op het gebied van de werkgelegenheid.

Daar is echter veel op af te dingen. Honderdduizend nieuwe (deels parttime) arbeidsplaatsen per jaar is een behoorlijk aantal. Maar heeft het iets te maken met het financieel-economisch beleid van de afgelopen jaren?

Een land als Oostenrijk heeft eigenlijk precies hetzelfde beleid gevoerd (inclusief lastenverlichting). Alleen, zoals Frank Kalshoven in de Volkskrant van 11 januari liet zien: de groei van de werkgelegenheid is in Oostenrijk beduidend lager dan in ons land. Dat maakt het Nederlandse succes op dat terrein al veel moeilijker verklaarbaar.

Daar komt bij dat die sterke groei van de werkgelegenheid in ons land niet een heel recent verschijnsel is. Ook aan het eind van de jaren tachtig werden al relatief veel nieuwe arbeidsplaatsen geschapen. Lag dat aan het toenmalige beleid? Misschien voor een deel. Maar de betreffende kabinetten deden, anders dan het kabinet-Kok, niet of nauwelijks aan lastenverlichting - en ze hadden het financieringstekort nog lang niet onder controle.

Kortom: voor zover de groei van de werkgelegenheid in ons land (en van het nationaal inkomen) aan overheidsbeleid is toe te schrijven, dan zeker niet alleen aan het huidige. Bovendien moeten ook de negatieve economische effecten van de bezuinigingspolitiek worden ingecalculeerd: verlies van werkgelegenheid (collectieve sector) en stagnerende overheidsinvesteringen.

Hoe groot de negatieve effecten van dat laatste zijn, is ook niet precies te zeggen. Maar als we afgaan op de nadruk waarmee politici, van links tot rechts, nu ineens voor investeringen in een 'verwaarloosde kennis-infrastructuur' pleiten, is het antwoord: erg groot.

Er zit nog een tweede vooronderstelling achter de huidige 'Delta-hype'. Nederland zou zijn overheidsfinanciën gesaneerd hebben zonder al te hoge sociale kosten en zonder al te veel maatschappelijk verzet. 'Nederland', schreef Die Zeit onlangs (10 januari) met nauw verholen jaloezie, 'neemt afscheid van zijn overontwikkelde verzorgingsstaat - in consensus.'

Ook hier lijkt de wens ('hadden wij maar zo'n bevolking') de vader van de gedachte te zijn. De werkelijkheid is anders. Het niveau van sociale bescherming is in Nederland, vergelijkenderwijs, nog altijd redelijk hoog, maar op onderdelen (de WAO, de sociale hulpverlening) behoorlijk aangetast. De inkomensverdeling werd schever. En van een minimumuitkering valt anno 1997, naar veler waarnemingen, niet (althans: niet voor langere tijd) rond te komen. De sfeer waarin de bezuinigingen tot stand kwamen, was bovendien verre van harmonieus. Veel minder harmonieus in elk geval dan het nu wordt voorgesteld - merkwaardig genoeg ook door Nederlanders die er met hun neus bovenop hebben gezeten.

In het al genoemde Zeit-artikel zegt FNV-hoofdbestuurder Lodewijk de Waal dat er 'op dit moment geen model is dat beter functioneert dan ons consensusmodel.' Maar was de FNV, als het om het financieel-economisch beleid ging, de afgelopen periode niet voornamelijk op de Dam en op het Malieveld te vinden?

Last van enig geheugenverlies heeft ook SER-voorzitter Klaas de Vries. Zijn voorganger, Th. Quené, vertrok gedesillusioneerd. De overlegeconomie stond bij de vormgeving van het bezuinigingsbeleid vaak buitenspel. Maar De Vries stelt in Die Zeit ons land zelfverzekerd aan Duitsland ten voorbeeld. 'Wij lossen de problemen vaak gezamenlijk op.' En: 'Nergens is de verzorgingsstaat zekerder dan bij ons.'

Het 'Delta-model' verkopen én de werkelijkheid recht doen: dat gaat kennelijk niet zo gemakkelijk samen.

Nederland, zo luidt de conclusie tot dusverre, heeft zijn overheidsfinanciën redelijk op orde gekregen. Niets minder (het is, in vergelijking met wat elders gebeurt, een behoorlijke prestatie), maar ook niets meer (de negatieve effecten van het beleid worden onderschat; de positieve effecten worden overschat). Daarmee belanden we bij de hamvraag voor het 'Delta-model', namelijk of het beleid van de afgelopen periode in eigen land voortgezet moet worden. En belangrijker: of het in alle andere landen van Europa toepassing verdient.

De context van het Nederlandse beleid is daarbij van groot belang. In ons land is indertijd, onder gunstige economische omstandigheden en met veel aardgas achter de hand, de verzorgingsstaat sterk gaan uitdijen. Dat leidde, toen de economische conjunctuur verslechterde, tot financiële problemen, die de afgelopen vijftien jaar het regeringsbeleid sterk bepaald hebben. De verzorgingsstaat moest worden 'afgeslankt'.

Dat is, zo kunnen we inmiddels (al dan niet met een cynische ondertoon) vaststellen, behoorlijk gelukt. Maar hoe nu verder? Gewoon doorgaan, zeggen vooral de liberalen in ons land. Versnelde afbouw van het financieringstekort, een aanzienlijke lastenverlichting (15 miljard), en beperking van de progressie in het belastingstelsel (Frits Bolkestein in NRC Handelsblad, 3 december 1996).

Maar zo wordt een specifieke doelstelling voor een bepaalde periode (beperking van de overheidsuitgaven) opgeblazen tot een algemene oplossing voor bijna alle sociaal-economische problemen in ons land. En dat, zoals we zagen, zonder veel bewijsvoering.

Er is een andere, veel genuanceerdere benadering mogelijk, waarbij de financiële sanering van de verzorgingsstaat als min of meer afgerond wordt beschouwd, en de aldus ontstane ruimte voor nieuwe publieke investeringen wordt benut. Beperking van de arbeidskosten blijft op het programma staan, in combinatie met andere vormen van werkgelegenheidsbeleid. Maar financieringstekort en staatsschuld kunnen in een veel rustiger tempo omlaag, en de collectieve lastendruk moet misschien weer wat omhoog.

Zo'n benadering laat nog veel onbesproken (bijvoorbeeld: de verhouding tussen economie en ecologie), maar is een wonder van genuanceerdheid in vergelijking met de neo-liberale benadering. Alleen: ze lijkt niet erg meer op het 'Delta-model' dat nu de wereld verovert.

Veel problematischer nog is het 'Delta-model' als exportartikel. Duitsland komt, met zijn sterk ontwikkelde verzorgingsstaat, misschien nog wel in aanmerking voor een 'afslanking' zoals die in Nederland is beproefd. Hoewel: bij ruim vier miljoen werklozen en een onredderde Oost-Duitse economie? Maar landen als Italië, Spanje en Portugal, waar de collectieve sector op bepaalde, essentiële onderdelen onderontwikkeld is? En Polen? Bulgarije?

Dat is echter precies wat op dit moment in Europa gebeurt. Zonder onderscheid wordt, met het (inmiddels verder aangescherpte) Verdrag van Maastricht in de hand, de leden en toekomstige leden van de Europese Unie een sterk restrictief financieel beleid opgelegd, terwijl een expansief beleid in veel gevallen veel meer op zijn plaats zou zijn.

Hier is meer in het geding dan een verschil van mening over het te voeren sociaal-economisch beleid. Het gaat ook om machtsverhoudingen, waarbij de rijke 'kern' van de Unie zijn eigen, meer of minder plausibele normen aan de rest van Europa oplegt. En het 'Delta-model' mag daaraan zijn steenje bijdragen.

Overwegingen als deze komt men in het genoemde artikel van Geelhoed in het geheel niet tegen. Ook hem is de 'Delta'-hype kennelijk naar het hoofd gestegen. De secretaris-generaal van Economische Zaken schrijft ons land weliswaar een 'permanent zelfonderzoek' voor, maar houdt zijn eigen routineuze voorkeur voor 'budgettaire consolidatie, vermindering van de collectieve lastendruk en meer marktwerking' daar nadrukkelijk buiten.

Het internationale engagement lost bij hem op in een ongeclausuleerd pleidooi voor 'nationale beleidsconcurrentie' - ook op sociaal en ecologisch gebied.

Geelhoed is niet de enige die zo denkt. Zijn opvattingen weerspiegelen een beleidscultuur waarin, met het oprukken van het marktdenken, het 'nationaal belang' een allesoverheersende plaats is gaan innemen.

Wie denkt bij de Europese muntunie nog aan iets anders dan aan de (al dan niet bedreigde) hardheid van de gulden? Wie durft nog te erkennen dat, wil de uitbreiding van de Europese Unie werkelijk een succes worden, welvarende landen als Nederland meer geld zullen moeten afdragen?

Dat is de andere kant van het 'Delta-model': de opmars van het nationaal eigenbelang, bij groeiende onverschilligheid voor wat er elders gebeurt, en de armoede in eigen land goed weggestopt. Rijk achter de dijk.

Paul Kalma is directeur van de Wiardi Beckmanstichting, het wetenschappelijk bureau van de Partij van de Arbeid.

Meer over