Henk Bevers leende voor de staat zeker half biljoen gulden Agent voelde zich altijd meer bankier dan ambtenaar

De Nederlandse staatsschuld is bijna zijn troetelkind geworden. Agent Henk Bevers van het ministerie van Financiën neemt na 21 jaar afscheid van de kapitaalmarkt....

Van onze verslaggever

Peter de Waard

AMSTERDAM

'Toen ik kwam was de staatsschuld 60 miljard gulden. Nu is de schuld 400 miljard gulden.' Henk Bevers (64) zegt het met dezelfde trots als een ondernemer die praat over de spectaculair gestegen omzet van zijn bedrijf. 'Tussentijds hebben we ook nog wat afgelost. Dus ik denk dat ik zeker een half biljoen voor de staat heb geleend.'

Bevers is sinds 1 november 1975 de Agent van het ministerie van Financiën in Amsterdam. In deze functie is hij ruim 21 jaar lang verantwoordelijk geweest voor de financiering van het tekort op de begroting; de kloof tussen de ontvangsten en de uitgaven. Vandaag gaat Bevers met pensioen. Sinds de oprichting van het Agentschap in 1814 heeft nog nooit iemand deze functie zo lang volgehouden. 'Misschien wel te lang', glimlacht hij. 'Ik heb wel eens aanbiedingen gehad om iets anders te gaan doen. Maar deze job is zoiets bijzonders. Er is in Nederland maar één Agent van Financiën. Het klinkt oubollig. Maar ik vind de functie een voorrecht.'

Bevers heeft het niet alleen heel lang gedaan. Hij heeft ook een tumultueuze periode achter de rug. Begin jaren tachtig liep het financieringstekort van het rijk volledig uit de hand. Bevers moest tientallen miljarden nieuw kapitaal tegen zo gunstig mogelijke voorwaarden bijeen zien te schrapen.

Makkelijk was dit toentertijd niet. De staat had het imago van een bedelaar. 'Ik moest zorgen dat we niet met de rug tegen de muur zouden komen te staan.' Daarom manifesteerde hij zich vaak als een keiharde en soms hautaine onderhandelaar die veel geduld kon opbrengen in eindeloze debatten met beleggers over rendement, looptijd en stortingsdata.

Bevers heeft veelvuldig moeten pokeren met de grote institutionele beleggers. 'Zij hadden eigen bemiddelaars als Wallich & Matthes die met mij contact opnamen. “Hoe bent u vandaag”, werd mij gevraagd. Ik deed of mijn neus bloedde, maar wist dat ik die dag nog wel 500 miljoen gulden moest draaien. Anders zou Den Haag gaan klagen. Een half miljard wilde het instituut wel opnemen, maar alleen tegen 11 procent. Dan werd er onderhandeld. Ik bood 10 3/8 procent. De bemiddelaar deed er iets vanaf. En ik deed weer wat water bij de wijn. Het is ook Fingerspitzengefühl. Uiteindelijk kwam er een transactie tot stand. Soms lukte dat alleen door het bedrag groter te maken of de storting over twee data te spreiden.'

Bevers leerde al gauw de trucs van de instituten. 'Sommige instituten schakelden meer bemiddelaars in. Dan werd de indruk geschapen dat er een enorm aanbod in de markt was, terwijl overal hetzelfde instituut de opdrachtgever was.'

Bevers heeft zich altijd meer bankier gevoeld dan ambtenaar. 'Hoewel ik natuurlijk ambtenaar ben.' Hij begon zijn carriere in 1959 als employee bij de Nederlandsche Handelsmaatschappij, de voorloper van de ABN. Eerst bij de studiedienst, later bij de kas van de bank en uiteindelijk bij de treasury. In 1975 wilde hij een keer wat anders. Hij besloot te solliciteren op de functie van Agent van het ministerie van Financiën.

'Tot dan toe was het eigenlijk een soort erebaantje voor mensen die zich zeer verdienstelijk hadden gemaakt. Mijn voorganger liep een paar uur over de beursvloer, praatte wat en rapporteerde daarna aan de minister.'

Bevers ging op sollicatiegesprek bij de toenmalige thesaurier-generaal Coen Oort, de latere ABN-bankier. 'En ik heb ook nog een kennismakingsgesprek gehad met Wim Duisenberg, op dat moment de minister van Financiën. Maar dat was een volstrekte formaliteit.'

Duisenberg had vlak voor Bevers' officiële benoeming in 1975 de begroting voor het jaar 1976 gelanceerd. 'Het derde jaar van het kabinet Den Uyl. Tot mijn grote verrassing kende de begroting een enorm gat. Een schikbarend tekort van 15 miljard gulden; 25 procent van de totale uitstaande staatsschuld. Bij de huidige schuld van 400 miljard gulden zou dat 100 miljard zijn.'

Met het tekort anticipeerde het kabinet Den Uyl op de snelle groei van de aardgasbaten. 'Zeker in de jaren zeventig was er een categorie mensen die de staatsschuld geen probleem vond. In Den Haag werd het luchthartig opgenomen. De staatsschuld kon altijd worden gefinancierd. Wie kon er in de wereld een regering noemen die de schuld niet gefinancierd kreeg?'

Tot 1975 was de financiering ook zelden een probleem geweest. Het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) moest verplicht een deel van zijn gelden in staatsobligaties beleggen. 'Het ABP had in Den Haag ook een lopende rekening bij de Rijkshoofdboekhouding. Daar stonden de zogenoemde veergelden geparkeerd. Die werden in langlopend staatspapier omgezet. Soms waren de veergelden zelfs hoger dan de financieringsbehoefte .' Het Agentschap in Amsterdam had het relatief makkelijk. 'Hoogstens werden drie of vier staatsleningen per jaar uitgeschreven à raison van 300 miljoen gulden.'

Na 1975 werd het ineens anders. De staatsschuld rees binnen enkele jaren uit de pan. De staatsleningen namen niet alleen in aantallen toe, ook in bedragen. Eind jaren zeventig waren staatsleningen van 500 miljoen al gewoon. Begin jaren tachtig schreef de staat leningen uit van meer dan één miljard gulden. 'En eind jaren tachtig waren staatsleningen die niet minimaal een miljard opbrachten, gewoon mislukt.' Bevers leefde zo in de wereld van de grote getallen dat hij ooit bij een privé-opname aan het loket van het plaatselijke bankfiliaal de cassière om 100 miljoen in plaats van gewoon honderd gulden vroeg. 'Ik schaamde mij dood.'

Bevers kreeg in 1975 van Duisenberg volledig mandaat om naar eigen inzicht het enorme tekort te gaan financieren. 'Ik kreeg meer ruimte en mocht ook onderhands gaan lenen. Zo kon ik met de instituten complete maatwerktransacties in elkaar knutselen.'

Van de financieringsbehoefte van 15 miljard in 1976 nam het ABP via de veergelden vijf miljard voor zijn rekening. Nog eens 4,2 miljard werd onderhands gefinancierd. Bevers schreef in zijn eerste jaar daarnaast zo'n acht openbare leningen van ieder 600 miljoen gulden uit.

'Het kantoor van het Agentschap was aan de Herengracht gevestigd. Het was een ingeslapen boel. Bedragen werden nog door een man of veertien met de pen in het nationale grootboek ingeschreven. De spullen waren allemaal van 1946. Zwarte telefoons met een draaischrijf. Houten meubilair. Omdat de vernis van het hout was losgelaten, moest je een stukje plastic om de stoelleuning doen. Anders plakte je aan je stoel vast.'

De gemiddelde leeftijd van het personeel was liefst 58 jaar. 'Ik was echt een broekie. Maar de organisatie was zeer hiërachisch. Het hoofd interne controle liep in mijn kamer altijd achterstevoren terug naar de deur. Om hem dat af te leren heb ik ooit een stoel in het looppad gezet.' Bevers ging aanvankelijk net als zijn voorganger iedere dag naar de beurs. Hij maakte daar een praatje met het bekende klaverblad; ABN, Amrobank, Pierson Heldring & Pierson en Mees & Hope. 'Dat waren de vier grote emittenten. Je hoorde als agent hun mening te kennen.'

Bevers zette tegelijkertijd het mes in de volstrekt verouderde organisatie. 'In 1975 hadden we met 64 mensen een staatsschuld van 40 miljard. Nu met 50 mensen een staatsschuld van 400 miljard. De organisatie is zoveel efficiënter geworden.'

In februari 1979 kreeg het Agentschap een nieuw kantoor aan de Herengracht. 'Frans Andriessen was minister van Financiën. Hij zou het kantoor openen. Maar op die dag trad hij plotseling af.' Andriessen wilde niet langer verantwoordelijk zijn voor het verder oplopen van de staatsschuld. 'Zijn opvolger Fons van der Stee was makkelijker. Iemand die heel plezierig was in de omgang en zich over de financiering van het overheidstekort minder druk maakte. Dat zou wel op zijn pootjes terecht komen.' Maar de economische ontwikkeling zat tegen. De malaise bereikte begin jaren tachtig zijn dieptepunt. Van der Stee schreef zijn beruchte staatslening tegen 12 3/4 procent uit.

'Het was de ondergang van een falend overheidssysteem. De tekorten werden groter en groter. In 1982 begonnen de problemen echt, met name door de sterke toename van de aflossingen. De bedragen om leningen te kunnen aflossen moesten opnieuw worden geleend', zegt Bevers. Gleed Nederland af naar een bananenrepubliek?

Bevers moet hier om lachen. De bankbiljettenpers is in Nederland niet op volle toeren gaan draaien. 'Er was een afspraak tussen Van der Stee en de nieuwe president van De Nederlandsche Bank Duisenberg dat er niet inflatoir gefinancierd zou worden. Maar de overheidschuld was wel onbeheersbaar geworden. Beleggers werden steeds lastiger en vervelender.'

Er werd zelfs overwogen om andere valuta te gaan lenen. Het is uiteindelijk niet gebeurd. Niettemin moesten concessies worden gedaan. 'Het was niet alleen de enorm hoge rente van 12 3/4 procent. De instituten eisten ook een looptijd van vijf jaar plus het recht de lening nog eens tegen hetzelfde percentage met tien jaar te kunnen verlengen.'

Aan het beleid in Den Haag kon Bevers weinig doen. 'Ik ben geen politicus. Ik ben zelfs nooit lid geweest van een politieke partij. Ik was gewoon uitvoerder van wat de minister wilde. In Den Haag zochten ze echter vaak onderwerpen voor speeches. Nout Wellink - de toekomstige president van De Nederlandsche Bank-red. - was begin jaren tachtig thesaurier-generaal in Den Haag. Hem heb ik wel eens voor die waarschuwing ingeschakeld. De woorden van een thesaurier-generaal wegen nu eenmaal zwaarder dan die van een Agent.'

Een andere bondgenoot van Bevers op het ministerie van Financiën was Boudewijn Baron van Ittersum. De latere beursvoorzitter was een studiegenoot van hem geweest. 'Van Ittersum was directeur binnenlands geldverkeer. Hij had al eerder voor de enorme gevolgen gewaarschuwd.'

Pas met Ruding als minister van Financiën leek het kabinet naar de waarschuwingen te gaan luisteren. 'Ruding was in de eerste plaats vakminister. Andriessen, Van der Stee en na hem Kok waren vooral politici. Ruding las ook al onze weekberichten.'

Bevers wil geen oordeel geven over de beste minister die hij als Agent heeft meegemaakt, maar hij heeft Ruding hoog in het vaandel staan. 'Hij heeft het oplopen van het tekort tot stilstand weten te brengen. Dat was de moeilijkste operatie. Kok heeft uiteindelelijk gezorgd voor de totale beheersbaarheid van de begroting. En Zalm heeft ook gezorgd dat de rentelasten zijn gaan dalen.'

Onder Ruding werd in 1986 ook de kapitaalmarkt geliberaliseerd. Het Agentschap was niet langer uitgeleverd aan de grillen van de Nederlandse institutionele beleggers. Er kon nu ook staatspapier in het buitenland worden geplaatst. Nu hebben de buitenlanders zo'n honderd miljard aan Nederlands staatspapier; een kwart van de totale schuld.

Het Agentschap bevindt zich niet meer in de Amsterdamse binnenstad. Het is ondergebracht in een modern bedrijfsverzamelgebouw bij station Sloterdijk. Dankzij moderne communicatiemiddelen kan contact worden onderhouden met de hele wereld.

Bevers hecht niettemin aan een apart Agentschap in de hoofdstad. 'Buiten Nederland kent alleen Ierland een zelfstandig opererend Agentschap. In andere landen wordt het werk gedaan door de centrale bank. In die landen is het het uitschrijven van leningen tot een onderdeel van de monetaire politiek gedegradeerd.'

Hoe het na de komst van de EMU met het Agentschap zal gaan weet ook Bevers niet. 'Als we allemaal in euro's moeten gaan lenen, dan zullen we onderling toch iets moeten afstemmen. Maar dat hoeft nog niet het einde van het Agentschap te betekenen.'

Meer over