Hardnekkige tegenwind

De bouw van windmolens stagneert doordat de subsidieregeling is veranderd en grote windparken veel tegenstand ondervinden. Misschien moet voor kleinschaliger projecten worden gekozen....

Zelfs wie van de wind wíl leven, klaagt dezer dagen over hardnekkige tegenwind. Mooie voornemens zijn er al jaren te over. Rond de eeuwwisseling moeten we uitzicht hebben op duizend megawatt windenergie, aldus ook de overheid. Maar de praktijk blijkt weerbarstig.

Vorig jaar bijvoorbeeld, werd er volgens cijfers van het Landelijk Bureau Windenergie (LBW) in Zeist slechts 49 megawatt bijgeplaatst. Om op schema te raken, had dat het dubbele moeten zijn. 'Het gaat momenteel niet best en op een of andere manier blijven we er maar niet uitkomen, ondanks alle goede intenties', zegt winddeskundige dr. A. van Wijk van de Universiteit Utrecht.

Het gaat 'niet optimaal' met de windenergie in Nederland, erkende onlangs zelfs staatssecretaris Vermeend van Financiën. Hij gaf antwoord op de vraag uit de Kamer waarom het vorig jaar niet wilde vlotten. Was dat soms te wijten aan de overgang van subsidiepotten naar een regeling voor aftrekbaarheid van investeringen in wind? Vermeend moest er nog eens op studeren.

J. Langenbach van het onafhankelijk adviesbureau Wind Service Holland in het Friese Pingjum weet het antwoord wel. De zaak, zegt hij, stagneert niet zozeer, het zou vooral allemaal zoveel hárder kunnen gaan. Als de stimuleringsregelingen de juiste investeerders zouden trekken. Als er kleinschaliger gedacht zou worden, zodat inpassing geen probleem behoefde te zijn.

Langenbach: 'In 1995 zagen we een inhaalmanoeuvre met honderd megawatt. Niemand wilde de laatste subsidieronde mislopen. Vorig jaar was met de helft daarvan eigenlijk een veel normaler jaar, waarin domweg de doelstelling op geen stukken na werd gehaald. Dat gaat nu weer gebeuren, let maar op.'

In Nederland draaien ruim 1050 windturbines. Bij elkaar produceren die dik 300 megawatt aan elektriciteit, ruim een procent van de totale elektriciteitsproductie, goed voor stroom bij 170 duizend gezinnen. Nederland staat daarmee vijfde op de wereldranglijst, die door Duitsland wordt aangevoerd. Op zichzelf een mooi resultaat, maar het blijft hardnekkig minder dan de Nederlandse overheid voor ogen had in eerdere energienota's. De groei is nog steeds maar de helft van wat hij zou moeten zijn.

Daarvoor, stelt de Nederlandse Onderneming voor Energie en Milieu (Novem) zijn twee oorzaken. Het blijft, één, moeilijk om in de praktijk voldoende onomstreden ruimte te vinden voor substantiële windparken. Ruimte is er genoeg, maar omwonenden, telecombedrijven, dijkgraven, Rijkswaterstaat, en vogelbeschermers houden niet van windmolens. Procedures voor vergunningen kunnen soms jaren vertraging opleveren. 'Daar is geen peil op te trekken', zegt ook woordvoerster M. van Aggelen van windbureau LBW in Zeist.

En, twee: de nieuwe fiscale stimulering van windenergie sluit belangrijke groepen investeerders uit. Boeren, bijvoorbeeld, die vaak ruimte te over hebben. Volgens de belastingdienst zijn hun windplannen beleggingen in onroerend goed en geen milieu-investeringen. En dat valt buiten de regeling.

'Van de vijftig megawatt die vorig jaar werd geplaatst, zat het meeste nog in de pijplijn vanuit de oude subsidies', meldt Van Aggelen. Met de nieuwe aftrekregels is maar net zeven megawatt aangevraagd. 'Je kunt alleen maar hopen dat het binnenkort beter gaat.'

Daar ziet het op zijn vroegst volgend jaar naar uit. Op het belastingprobleem wordt - Vermeend laat er geen gras over groeien - interdepartementaal gestudeerd. Ingewijden denken dat het daarmee wel goed komt.

En om de plaatsing vlot te trekken, biedt Novem namens de overheid sinds kort intensieve ondersteuning bij het ontwikkelen van grootschalige locaties voor windparken. Op dergelijke plaatsen - gedacht wordt aan de Eemshaven en de Flevopolders - zou in één klap vijftig tot honderd megawatt moeten worden neergezet.

Een heilloze weg, denkt niettemin windadviseur Langenbach. Investeringsaftrek verleidt gemakkelijk tot te dure projecten, denkt hij, en bestuurlijke begeleiding van projecten lost een fundamentele denkfout niet op: de grootschaligheid van de Nederlandse windenergie.

Langenbach: 'Ik geloof veel meer in het Duitse model, waarbij wordt gewed op zoveel mogelijk projecten met telkens slechts een paar molens. Daarvan gaat een hoop uiteindelijk niet door, maar voor de rest heb je ook lokale steun. Super-windparken spelen alles of niets met een hoge, een te hoge inzet.'

Nederland begint al angstwekkend vol turbines te raken, ook al staan er nog lang niet genoeg windmolens, zegt ook dr. ir. J. Beurskens van het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) in Petten. 'De aantrekkelijkste locaties zijn inmiddels aan het opraken. We halen alleen duizend megawatt als we ook buitengaats kunnen gaan bouwen. Dat vergt enige studie, maar het lijkt me niet echt een probleem.'

Volgens Beurskens koerst Nederland aan op een stagnatie in de windenergie. Het is een tijdlang redelijk gegaan, omdat er locaties waren en, na jaren hard werken, goede windturbines. Maar die turbines van de eerste generatie zijn uitontwikkeld, meent hij. Kostendalingen zijn alleen nog te halen uit serieproductie en efficiënt projectmanagement. En daarmee, zegt Beurskens, is de slag niet te winnen.

De ECN-man: 'De zaak loopt vast als er niet snel een sprong voorwaarts wordt gemaakt in de technologie. Er is nog 30 tot 50 procent op de kosten te winnen door molens flexibeler te maken, lichter, eenvoudiger, en ook groter. We hebben daarvoor de kennis goeddeels in huis. Maar de turbinefabrikanten zitten krap en hebben hun handen overvol aan de huidige wispelturige markt.' Denen en vooral ook Duitsers liggen op de loer.

De Utrechtse onderzoeker Van Wijk zou zijn sigaar niet verwedden op nieuwe technologie alleen. 'De voorgestelde kostenreducties geven vooral aan dat wind nog heel veel technisch potentieel heeft. Maar vooralsnog zou ik al blij zijn als alle regelgeving rond windprojecten eens grondig gestroomlijnd zou worden. Daar halen we sneller meer uit. Of het nou met Denen is, Duitsers of Nederlanders.'

Martijn van Calmthout

Meer over