‘Eurocrisis toont onmacht Brussel’

De parlementaire onderzoekscommissie-De Wit presenteert vandaag haar rapport over de kredietcrisis. Veel belangstelling zal daarbij uitgaan naar de rol van toezichthouder De Nederlandsche Bank. Uit een studie die op verzoek van de WRR is gedaan naar het functioneren van DNB in de jaren vóór de crisis, bleek afgelopen weekend dat DNB zich als toezichthouder erg veel gelegen liet liggen aan de belangen van de banken.

Door Douwe Douwes

‘Een herkenbaar beeld’, zegt Kees Vendrik. Het vertrekkend Kamerlid van GroenLinks hield zich twaalf jaar intensief bezig met de financiële sector, en getuigde in januari voor de commissie-De Wit. ‘DNB heeft altijd een januskop gehad. Aan de ene kant is de centrale bank verantwoordelijk voor een enorm publiek belang: de stabiliteit van het systeem. Aan de andere kant moet DNB meedenken met het bankwezen over meer groei, meer inkomen, meer expansie; meedoen in de vaart der volkeren.’

Waarom heeft dat niet eerder geleid tot kritiek vanuit de politiek?

‘Bij mij wel. Met name in de discussie over Basel 2, de nieuwe kapitaaleisen voor banken, in de eerste jaren van het vorige decennium. In debatten met minister Zalm van Financiën heb ik mij er vaak over verbaasd dat er geen politiek mandaat was vastgesteld voor die onderhandelingen. Dat werd als een technische kwestie afgedaan. En dat was het volgens mij niet. Via bevriende wetenschappers probeerde ik te snappen wat de bewegingen waren aan die vertrouwelijke onderhandelingstafel, waar de toezichthouders met de industrie aan tafel zaten. Dat is heel erg verwant aan dit verhaal over securitisatie (het opknippen en doorverkopen van leningen door banken, red.). Dat was in het parlement geen thema, maar ook niet in de media.’

Waarom sloegen andere partijen er niet op aan?

‘DNB werd in de jaren negentig op het schild gehesen als de moeder aller toezichthouders. Die stond in alle opzichten buiten de discussie. Dat merkte je het sterkst bij de invoering van de euro. Toen heeft de zelfhaat van de politiek massaal toegeslagen, verklaarden politici zichzelf volledig incompetent als het ging om monetair beleid en het beheer van de financiële sector.’

In de huidige verkiezingsprogramma’s is niet veel terug te vinden over financieel toezicht.

‘De kredietcrisis heeft het parlement ruw wakker geschud uit de natte droom van een volmaakt vrije financiële sector, die gladjes opereert. Het is volstrekt duidelijk dat het anders moet. Wat zich een beetje wreekt is dat de operatie ‘Hoe verder?’ voor een groot deel internationaal speelt. Basel 3 komt eraan, er wordt gekeken naar de boekhoudstandaarden: allemaal relevant voor dit verhaal. De structuur van het bankwezen wordt tegen het licht gehouden. Er wordt een harde strijd gevoerd over een Europese toezichthouder.’

Nederland heeft als exportland toch belang bij een stevige financiële sector?

‘Wat heeft het bedrijfsleven eraan dat ING Direct in de Verenigde Staten miljarden aan spaargeld heeft opgehaald? Geen moer. Multinationals hebben meerdere banken tegelijk, en dan doen ze ook nog lokaal zaken met gespecialiseerde banken. In die internationale strategie zitten ook allemaal activiteiten waar het bedrijfsleven niets aan heeft. Met het vrijmaken van die markt komen er allemaal andere zaken die concerns binnen, misschien heeft het bedrijfsleven er soms wat aan, maar veel vaker niet. Bij ING waren we ineens verantwoordelijk voor 1.300 miljard dollar. Dat heeft niets te maken met het belang van het Nederlandse bedrijfsleven. Maar het is wel een megagroot risico voor de Nederlandse schatkist.’

Nu is er de volgende crisis. Loopt er een directe lijn van de kredietcrisis naar Griekenland?

‘Ja. De kredietcrisis is tijdelijk opgelost. De laatste stand loopt richting de 4.000 miljard dollar aan steunoperaties. Dat is wat overheden aan nieuwe schulden zijn aangegaan. Daarmee heeft iedereen het risico noodgedwongen op zich genomen dat de bankencrisis een landencrisis wordt. Dat dreigt nu.

‘Destijds is niet goed nagedacht over het ontwerp van die monetaire unie. Daar hebben zeventig economen al in 1997 voor gewaarschuwd: je kunt niet ongestraft een monetaire unie invoeren, en zeggen: een markt, een munt – het is klaar. De euro-economieën groeien niet voldoende naar elkaar toe. En zij missen nu het instrument van devaluatie om hun export aan te jagen.

De manier waarop deze redding tot stand is gekomen, toont de onmacht van Brussel. Iedereen wachtte op Duitsland. Europa heeft nauwelijks afspraken gemaakt over dit soort situaties en moet ter plekke het wiel uitvinden. Dat is genant.’

Meer over