Een probleemwijk

Op de voorpagina van de Volkskrant stond gisteren een foto van onze nieuwe minister voor Wonen, Wijken en Integratie, minister Vogelaar....

Nazmiye Oral Een probleemwijk

Ooit was het er goed toeven en heette het ook nog geen probleemwijk. In het benoemen van dingen schuilt een grote kracht. Het kleurt de perceptie en laat geen ruimte voor het ontstaan van nieuwe dingen. Het grootste verschil tussen toen en nu, vijfentwintig jaar later, is dat een heleboel dingen toen geen naam hadden. Alleen mijn ouders heetten toen gastarbeiders. Ik was niks.

Er woonden wel wat Turken in de wijk, vrij veel zelfs, maar ook een heleboel Nederlanders. Sommigen van hen hadden problemen met eenzaamheid en drank. Onze Nederlandse kinderloze buren hadden weliswaar aan mijn ouders gevraagd of ze mij mochten adopteren (serieus) maar er bestond een goed contact tussen de Wenferinks en de Orals.

Zij waren netjes, oud, en hielden van orde en regelmaat. De buurvrouw verwende me altijd met snoep en mijn moeder het oude echtpaar op haar beurt met lekker eten. De buurt was opgetrokken uit grijze betonnen flats ja, maar er was ook heel veel gras waarop je de radslag en handstand kon oefenen. En elke vrijdag kwam er zelfs een wit busje in de straat, met melk en brood en flessen gele, bruine en roze vla. Mijn broertje gooide regelmatig een strijkijzer of een bloempot uit het raam. Gelukkig altijd tegen het ochtendgloren en nooit op iemands hoofd. En niemand die er wat van zei, want iedereen wist dat hij ‘anders’ was.

In het weekend kwamen de vrienden van mijn ouders met hun kroost, werden er non stop Turkse speelfilms gekeken op de Betamax en kippen gegrild voor het gezamenlijke avondmaal. Maar toch, er was een gevoel van hoop. Sommigen hoopten op genoeg geld zodat ze eindelijk terug konden naar het vaderland, anderen wilden het hier maken. Nu zijn we twintig jaar verder, en er is in die twintig jaar veel veranderd. Zo zijn nu eindelijk alle lavetten uit het douchehok geslagen en hoeft niemand meer in zo’n grenen bak te klimmen om te douchen. Ook de buitenkant van de flats onderging een transformatie. Tijdens een lange renovatie heeft men behendig een extra laag aan de buitenkant van de flats aangebracht. Het grijs is aan het oog onttrokken door een laag, tsja, echt lijkende, rozige baksteen. De traptreden zijn aan de buitenkant verbreed én de huizen hebben nu allemaal dubbele beglazing. Driekwart van de kinderen die ik ken die in de flats wonen, heeft iets aan zijn luchtwegen. Of dat nu komt door slechte ventilatie, vocht en schimmel, paffende ouders, of alles samen.

Nog steeds gaan er kinderen naar de kleuterschool terwijl ze geen woord Nederlands spreken, en hun ouders wel.

De armoede is onvoorstelbaar. Gezond eten is erg duur. Aan het begin van de maand, als het geld binnenkomt, is de tafel gedekt met Turkse worst en kaas. Verder ligt het boodschappenkarretje vol met meel en olie. Als je geluk hebt, en een handige moeder. Het ergste van alles is dat waar vroeger de weg voor een arbeiderskind open stond om te worden wat hij of zij wilde, de paden nu vooraf zijn geëtst.

Er is bovenmenselijke kracht nodig om uit niets iets te creëren. En nog meer kracht om iets anders te doen dan wat gebruikelijk is. Bovendien werkt de buitenwereld niet meer mee. Er is geen ruimte voor een nieuw beeld. Hoe je het wendt of keert, vooral als man, als allochtoon, met een moslimachtergrond, heb je het niet makkelijk. Dat is de werkelijke wanhopige toestand waarin je terechtkomt als je opgroeit in een achterstandswijk.

Maar aan één ding is een probleemwijk weer rijk. In het boek Bowling Alone, The Collapse and Revival of American Community beschrijft Robert Putnam de importantie van wat hij noemt het ‘sociale kapitaal’ wat, kort gezegd, ons sociale netwerk inhoudt. Een absolute must voor het welbevinden van de mens.

Mensen die in een probleemwijk wonen, hebben een enorm sociaal kapitaal. Ze behoren tot dezelfde groep, hebben hetzelfde doel (het behouden van normen en waarden) en ze steunen en beschermen elkaar. Ik zou willen dat minister Vogelaar na haar tournee met een megalomaan vijftigjarenplan komt.

Elke stadsbewoner met een groot gemis aan saamhorigheid verbindt zich aan de mensen in zijn probleemwijk en ontwikkelt zo een sociaal kapitaal. Met als gezamenlijk doel het uitroeien van achterstand, ongelijkheid en armoede.

Meer over