Een indianenverhaal over privatisering

Het straatarme Bolivia trok buitenlandse investeerders aan door staatsbedrijven weg te geven in ruil voor de belofte te investeren. De helft van de aandelen blijft in een fonds, dat van de dividenden alle Bolivianen een staatspensioen uitkeert....

INEKE HOLTWIJK

MILITAIREN hebben bij het grote voetbalstadion in La Paz hun tenten opgezet. Ze drinken warme melk en koffie. Het Rode Kruis houdt om de hoek ambulances paraat. Het is geen generale repetitie voor de Copa America. Onder de betonnen gewelven voltrekt zich een economische operatie die op het continent haar weerga niet kent. Meer dan 300 duizend bejaarde Bolivianen krijgen voor het eerst van hun leven een ouderdomsuitkering.

In La Paz gebeurt dat in het stadion. Op de stoep zitten lange rijen coca-kauwende indiaanse boeren met weervaste werkhanden, en vrouwen met dekens om en rokken als theemutsen. Met duizenden tegelijk zijn ze uit de dorpen van de altiplano (hoogvlakte) naar de hoofdstad gekomen om de Bonosol (solidariteitsbonus) van omgerekend vijfhonderd gulden in ontvangst te nemen.

Sommige Bolivianen hebben al een paar vrieskoude nachten doorgebracht bij het stadion. Lijdzaam laten zij zich door een politieagent nummeren, met een vilstift op hun arm. Het plastic identiteitsbewijs, dat hen recht geeft op de uitkering, houden zij in de hand geklemd.

Voor een land waar de helft van de bevolking geen of nauwelijks werk heeft en slechts één op de tien een bankrekening, is een pensioenuitkering 'handje contantje' een nooit gedroomde luxe. De Bonosol is een van de bijproducten van Bolivia's originele privatiseringsprogramma.

De grootste staatsbedrijven werden de afgelopen jaren overgedaan aan nieuwe, buitenlandse eigenaars. Zij kregen weliswaar volledige zeggenschap, maar slechts de helft van het aandelenkapitaal. De rest is ondergebracht bij een trust van de Amerikaanse bank Citicorp op de Bahama's. Die aandelen zijn 'eigendom van het Boliviaanse volk', zoals de regeringsfolders zeggen. En uit de dividenden, eventueel aangevuld met de opbrengst van verkochte aandelen, wordt elk jaar de Bonosol betaald. Iedere Boliviaan die op 31 december 1995 achttien jaar oud was, is aandeelhouder van dit pensioenfonds.

De meeste Bolivianen associeerden privatisering met corrupte politici. Dankzij de Bonosol voelen zij zich ineens deelnemer in een proces waar ze instinctief tegen waren. Maar de privatisering is in nog een ander opzicht opmerkelijk. De bedrijven werden niet verkocht voor geld, maar overgedragen in ruil voor investeringen. Weggegeven, zegt de Boliviaanse vakbond. Gekapitaliseerd, zegt Bolivia's visionaire president Gonzalo Sanchez de Lozada.

Sanchez de Lozada, een schatrijke mijnbouwondernemer met een graad in de filosofie, wilde Bolivia, het armste land op het continent, nieuw leven inblazen met forse kapitaalinjecties. Naar eigen zeggen was het een indiaanse boer in zijn geboortestreek die het lampje bij Sanchez de Lozada deed branden. De boer had wel grond, maar geen geld voor zaaigoed. Een boer met meer geld kocht zaaigoed. Hijzelf leverde het land en de arbeid, en na afloop deelden ze de opbrengst.

Sanchez de Lozada, die als president nog twee maanden te gaan heeft, hevelde het principe over naar de privatisering. Bekende internationale accountants stelden de boekwaarde vast van zes grote staatsondernemingen die hoognodig moesten investeren, maar geen kapitaal hadden. Buitenlandse ondernemers werden uitgenodigd een bod te doen. Maar in plaats van het geld rechtstreeks naar de schatkist te sluizen, mag het bedrijf het houden als investeringskapitaal.

Mexico en Argentinië zijn voorbeelden van hoe het niet moet, zegt Fernando Candia, Sanchez de Lozada's minister van Economische Zaken. 'Alles is daar weer ingezakt nu het geld van de privatisering is uitgegeven.' In Bolivia komt er geen geld aan te pas, maar moeten ondernemers een investeringsplan ondertekenen. Een voorbeeld is Stet uit Italië, dat het Boliviaanse telecommunicatiebedrijf Entel kocht. Stet moet binnen zes jaar het aantal aansluitingen hebben verdubbeld, in alle gehuchten met 350 inwoners of meer een telefooncel hebben neergezet, en het telefoonnet zo hebben gemoderniseerd dat Bolivia kan meekomen in de wereld.

De staatsoliemaatschappij YPFB werd in drieën gedeeld. Bolivia wil in de toekomst de grote energieleverancier zijn voor Chili, Argentinië en Brazilië. Een Argentijns consortium en het Amerikaanse Amoco kregen elk velden toegewezen voor exploratie en exploitatie. Shell en Enron, ook uit de VS, zullen onder meer een gaspijpleiding naar Brazilië aanleggen en exploiteren.

De nieuwe eigenaren van Bolivia's verlieslijdende spoorwegennet, een Chileens bedrijf, hebben nieuw materieel en een efficiënte bedrijfsvoering moeten beloven. Ooit raakte Bolivia in een oorlog met Chili zijn doorgang naar de Stille Oceaan kwijt. Maar de regering noemt het zelf een van haar meest succesvolle operaties. In plaats van dertig miljoen dollar subsidie te geven, inde zij vorig jaar tien miljoen dollar belasting extra. Bovendien komt straks eindelijk het spoor naar de zee, dat de Bolivianen zelf in meer dan een halve eeuw staatsspoorwegen nooit hebben kunnen aanleggen. Als dat er ligt, kunnen sojaboeren in booming Oost-Bolivia hun graan over zee exporteren.

De oppositie bekritiseert de regering, omdat zij 'vijftig jaar sparen door de staat' weggeeft. De ruim achthonderd miljoen dollar die de bedrijven waard bleken te zijn, hadden geïnvesteerd kunnen worden in onderwijs of gezondheidszorg. Candia, als veel technocraten in de regering opgeleid in de Verenigde Staten, vertolkt het extreme marktdenken van de regering. 'Wij als overheid zijn niet in staat geld uit te geven. Dat is de waarheid.' De investeringen gaan naar de exportindustrie, of naar infrastructuur die export bevordert. Daar zit de groei van de economie en dan komt de rest vanzelf, redeneren de Chicago-boys van Sanchez de Lozada.

Er zit wat in. Zelfs een hulpverslaafd land als Bolivia bleek de afgelopen twee jaar in staat investeerders aan te trekken. En het waren niet de minste die hun licht kwamen opsteken: Salomon Brothers, Paribas, Deutsche Morgan Grenfell, Exxon, Total en American Airlines. Regeringen van andere arme landen als Haiti, Ecuador en El Salvador, zonden reeds delegaties om de originele aanpak te bestuderen. De Wereldbank bereidt een studie voor over het Boliviaanse model en overweegt de snelle jongens uit La Paz in te schakelen bij privatiseringen in Caribische en Afrikaanse landen.

Eduardo Gamarra, Latijns-Amerika-specialist van de universiteit van Florida, is belast met het Wereldbank-onderzoek. Bedrijven kregen zes tot tien jaar voor hun investeringen. Daarom is het nog te vroeg iets te concluderen over het resultaat, meent Gamarra. Maar de uitvoering tot dusver noemt hij 'buitengewoon succesvol'. Hij kon geen sporen van corruptie vinden. De transacties waren transparent en voltrokken zich binnen enkele maanden, voor Latijns-Amerika ongewoon snel.

Gamarra's belangrijkste twijfels betreffen het toezicht door de verzwakte Boliviaanse staat op het proces, en de mogelijkheid om met de aandelen van de vijf bedrijven sparen en beleggen in eigen land te stimuleren, een andere bijbedoeling van Sanchez de Lozada. De nieuwe eigenaren hebben geen cent op tafel hoeven leggen, onderstreept Gamarra. 'Ze hoefden slechts investeringen te beloven.'

Het Braziliaanse VASP, zelf op de rand van een bankroet, nam de Boliviaanse luchtvaartmaatschappij LAB over. VASP's investeringsplan bestaat onder meer uit onderhoud en een tweedehands vliegtuig. Gamarra heeft er toevallig onlangs mee gevlogen. Boven Cuba moest de kist terug naar Miami omdat hij brandstof lekte. Het werd een schuimlanding.

Maar volgens minister Candia zou meer controle bureaucratie en corruptie in de hand werken, twee kwalen die hij juist wil bestrijden. 'Ik vrees eerder verlamming van de economie dan misbruik.'

De bedoeling is dat de nieuwe ondernemingen naar de beurs gaan, vermoedelijk gelijktijdig in New York en La Paz. Zo zou ook de slapende beurs van La Paz tot leven kunnen worden gewekt. Maar de vraag is of de Bolivianen genoeg vertrouwen hebben in de bedrijven om erin te beleggen als spaarpot voor hun oude dag.

De toekomstige verhandelbaarheid van de aandelen is een zorg van de econoom Gustavo Fernandez, adviseur van onder meer de Interamerikaanse Ontwikkelingsbank. De regering gaat ervan uit dat de nieuwe ondernemingen vanwege de toegezegde investeringen twee keer zoveel waard zijn geworden. Dientengevolge is de waarde van het Bonosol-fonds vastgesteld op 1,65 miljard dollar.

Het is een aanname die volstrekt oneconomisch is, gelooft Fernandez. Gemeten naar beurswaarde en rendement klopt volgens hem de officiële rekensom niet. De geherkapitaliseerde bedrijven brachten vorig jaar slechts 45 miljoen dollar aan dividend op. Terugrekenend met een internationaal acceptabel dividend-rendement van 10 procent zijn de bedrijven dus niet meer dan 400 à 450 miljoen dollar waard, redeneert Fernandez.

Hij voorspelt dat het pensioenfonds als een kaartenhuis zal instorten. In zijn scenario zullen de nieuwe eigenaren om strategische redenen weinig dividend blijven uitkeren. Om toch de Bonosol te kunnen betalen, zullen de pensioenfondsen aandelen moeten verkopen. Dat is precies wat de nieuwe eigenaren willen, voorspelt Fernandez. Die staan in de rij om te kopen. Het pensioenfonds van alle Bolivianen dat volgens de regering zeker zestig jaar lang zal doorlopen, is volgens de consultant binnen tien jaar opgebruikt.

Problemen zijn er nu al. Voor de Bonosol-uitkeringen van dit jaar komt het pensioenfonds veertig miljoen dollar tekort. Waar moet het fonds het geld vandaan halen? Op het ministerie van Economische Zaken wordt gedacht aan krediet, of aan onderhandse verkoop van aandelen. De geprivatiseerde waterkrachtcentrales liggen goed in de markt.

Het tekort houdt ook de wachtende indianen op de stoep bij het voetbalstadion bezig. 'Denkt u dat er nog geld is als ik aan de beurt ben?', vraagt een boer aan een politie-agent bij het stadion. 'Ik ben van augustus en ben volgende week pas aan de beurt.'

Meer over