Een beetje kenner ziet het verschil aan het gras

Dit verhaal is opgedragen aan twee koeien: Cato 298 en Vaarskalf 241. De een staat in Loenen aan de Vecht, de ander graast in Aalst....

Mac van Dinther

Cato draagt haar naam met ere. Ze is de stamhoudster van de kudde van Henk-Jan Soede in Loenen aan de Vecht. Cato heette de eerste koe die in 1932 op het bedrijf kwam van zijn opa, die toen nog in Baambrugge zat. Al haar afstammelingen in de vrouwelijke lijn kregen dezelfde naam. Onze Cato is nummer 298.

Cato 298 is de grande dame van de stal. Ze is 14, de oudste koe in de kudde, dochter van de beroemde fokstier Sunny Boy. Ze is ook de eerste koe op het bedrijf die de magische grens van honderdduizend liter melk is gepasseerd. Een mijlpaal voor een koe. Jarenlang was ze de bazin van de troep. Daar is ze nu te oud voor, zegt Henk-Jan. Maar ze wordt nog altijd met respect bejegend. ‘Voor Cato gaat iedereen aan de kant.’

Vaarskalf is heel anders. Om te beginnen haar naam. Het is niet echt een naam, maar een aanduiding van wat ze was toen ze werd geboren bij haar vorige baas: een vrouwelijk kalf. Met die naam kwam ze binnen, vertelt Dirk-Jan, wiens koeien gewoonlijk Margaretha of Lena heten. ‘We hebben het maar zo gelaten.’ Het nummer achter haar naam betekent dat ze de 241ste melkkoe in zijn stal is. Iedere nieuwe koe krijgt een oplopend volgnummer.

Vaarskalf, geboren op 19 oktober 1998, was 2 jaar toen Dirk-Jan haar kocht. In 2001 kwam hij in het bedrijf van zijn vader Jan en bouwden ze een nieuwe stal. ‘Die was groter, dus hadden we meer vee nodig.’ Meestal zijn de koeien die je koopt geen toppers. Welke boer verkoopt immers zijn beste vee?

Maar met Vaarskalf hebben ze mazzel gehad. Ze heeft al acht keer gekalfd en 90 duizend liter melk gegeven. ‘Als ze zo doorgaat kan ze de 100 duizend wel halen.’ Anders dan Cato is Vaarskalf bescheiden van karakter. Behalve als het om eten gaat. ‘Dan staat ze altijd vooraan.’ Er is nog een verschil: Cato is een biologische koe, Vaarskalf is gangbaar.

Het is een betekenisvol onderscheid. Maar voor een leek is het niet meteen zichtbaar. Eind september zie ik Cato en Vaarskalf voor het eerst. Ze lopen buiten in de wei.

Vaarskalf in de Bommelerwaard, uitkijkend op de huizen van het dorp Aalst en vlak bij de kassen rond Gameren, die als het donker wordt de hemel oranje kleuren met hun lampen. Cato staat langs het Amsterdam-Rijnkanaal met uitzicht op de televisietoren van Hilversum. In het noorden kan ze bij helder weer de Amsterdam Arena zien.

Een ander decor, maar het gras is even groen. ‘Als je niet weet dat dit een biologisch bedrijf is, zie je nauwelijks verschil’, beaamt Henk-Jan. Het is er wel. Zo krijgen zijn koeien biologisch voer, worden de kalfjes grootgebracht met moeder- in plaats van poedermelk en gebruiken ze geen antibiotica.

Plukjes klaver
Kenners zien het aan het gras. Gangbare boeren strooien kunstmest, voor biologische boeren is dat taboe. In plaats daarvan zaaien ze klaver tussen hun gras. Dat brengt ook stikstof in de grond. En inderdaad, als ik erop let, zie ik plukjes klaver in Henk-Jans weilanden. Maar het is allemaal veel minder sexy dan de tegenstelling tussen de buiten scharrelende biologische varkens en kippen versus hun lotgenoten in dichte hokken.

Hét verschil tussen Vaarskalf en Cato zijn hun baasjes. Henk-Jan, 42, is een extensieve bioboer. Hij heeft 35 hectare land en vijftig melkkoeien. Zijn vrouw Wendy heeft een goede baan op het ministerie van Landbouw. Op de drie dagen dat ze in Den Haag zit, haalt Henk-Jan de kinderen van school.

Melken doet hij niet eigenhandig, dat laat hij over aan een automatische melkrobot, waar de koeien zelf in- en uitlopen. Dat geeft Henk-Jan de tijd zich te wijden aan andere zaken. Hij zit in het districtsbestuur van de zuivelcoöperatie FrieslandCampina en hij is voorzitter van de Natuurvereniging Vechtvallei. Vaak als ik bij Cato op bezoek kom is hij weg, vergaderen. Zijn vader Wim die in Nigtevecht woont, houdt dan een oogje in het zeil.

Dirk-Jan is altijd thuis als ik langskom. Hij is 30 jaar en woont met zijn ouders en zijn jongste zus Aletta in het woonhuis naast de stal. Tussen de middag eten ze samen warm in de keuken, die uitkijkt op de 50 hectare land, met 90 grazende melkkoeien. Na het eten leest moeder Gijsje voor uit de bijbel. Dirk-Jan melkt zijn koeien zelf, twee keer per dag, ’s morgens en ’s avonds.

Toen Henk-Jan in Loenen het roer overnam doopte hij de boerderij om van Eikel- naar Ekohoeve. Dat was in 1995, vertelt hij als ik hem op een dag tegenkom, terwijl hij een kikkerpoel laat uitgraven in zijn weiland.

Hij kwam in een gespreid bedje. ‘Ik had net zo door kunnen gaan als mijn vader. Kunstmest strooien, gras maaien, koeien melken. Het was hem te gemakkelijk. ‘Biologisch is moeilijker. Ik vond het een uitdaging.’

Bij gangbare boeren is alles op productie gericht, zegt Henk-Jan. In vakbladen worden ranglijsten afgedrukt van boeren die dertienduizend liter melk per jaar uit hun koeien halen. Die van Henk-Jan doen tussen de zeven- en achtduizend. Maar dat zegt niks, benadrukt hij.

‘Als je maar genoeg krachtvoer in een koe stopt, komt er vanzelf meer melk uit.’ Dat vertikt hij. ‘Een koe is geen varken.’ Hij voert vooral gras van eigen land, met maïs en wat krachtvoer. ‘Ik wil een gezonde koe. De melkproductie is het uitvloeisel, niet het doel.’

Het is ook een levenshouding. Toen hij begon, zegt Henk-Jan, hadden de meeste boeren in de buurt een stuk of vijftig koeien. ‘Nu hebben ze er 150. Als ik ’s avonds buiten ben, zie ik ze nog bezig om alles af te krijgen. Ik had geen zin om mee te gaan in die rat race. Ik wil tijd overhouden voor andere dingen, zoals mijn gezin.’

Dirk-Jan zit anders in elkaar. Hij is trots dat zijn koeien gemiddeld negenduizend liter melk per jaar leveren. ‘Als ik biologisch was, zou ik dat nooit halen.’ Zijn koeien krijgen rijker voer. Kuilgras en maïs van eigen land, maar ook eiwitrijke restproducten uit de levensmiddelenindustrie zoals bierbostel (‘van Bavaria’) en sojaschroot.

Achter op het erf mengt hij het voer in een grote mixer en lost het op de gang van de stal, waar de koeien hun koppen door de spijlen steken. Dirk-Jan kent een boer die dertienduizend liter melk per koe haalt.

‘Dat is topsport’, beaamt hij. ‘Maar je hebt het niet altijd voor het kiezen. Als je dure grond hebt, moet je wel.’ En trouwens: ‘Een koe die dertienduizend liter geeft, kan best gezond zijn.’

Voor natuurprojecten, zoals Henk-Jans kikkerpoel, zit hij in het verkeerde gebied. Maar daar is hij niet rouwig om, zegt Dirk-Jan eerlijk. ‘Het is een hoop extra werk. En ik heb al mijn land nodig.’

Melkprijzen
Begin november zit ik met Dirk-Jan in de keuken. Hij vertelt hoe de inkomens van Nederlandse boeren worden beïnvloed door de melkprijzen in Nieuw-Zeeland. De laatste beschermingsmaatregelen voor Europese boeren worden afgebroken; ook zuivel wordt een wereldmarkt.

Vorig jaar was een slecht jaar, dit jaar zakten de prijzen verder weg. Dat raakt ook Henk-Jan, want de prijzen voor biologische melk zijn gekoppeld aan die voor gangbare melk. Het verschil is dat hij een opslag krijgt van 8,5 cent per liter. Toch deed Dirk-Jan niet mee aan de protesten van boze melkveehouders. Het is goed dat Brussel extra geld uittrekt. ‘Maar waarom alleen voor ons? Andere boeren hebben het ook moeilijk.’

Achter het raam zien we de koeien in de regen staan, de kont in de wind. Het is mooi geweest, besluit hij. ‘Ik haal ze binnen.’ Gewillig laten de koeien zich naar binnen drijven. ‘Ze vinden het zelf ook wel best’, zegt Dirk-Jan terwijl hij op laarzen door het weiland sopt. Laat je daar nog koeien op lopen, dan trappen ze het gras kapot. Een half uurtje later staat Vaarskalf met haar 89 kuddegenoten in de stal, te wachten op het voorjaar.

Om vijf uur dalen we samen af in de melkput, waar de koeien in groepjes van twaalf worden gemolken.

Op een schermpje licht 241 op, het nummer van Vaarskalf. Dirk-Jan koppelt het melkstel aan de uier, die is uitgezakt van de tienduizenden liters melk . Even later stroomt de witte vloeistof door het meetglas. De teller loopt naar 18 liter, druppelt door tot 19,9, dan is ze echt leeg. Ze kijkt niet op of om als ze wegloopt.

Twee weken later ben ik in Loenen, waar de koeien inmiddels ook op stal staan. Cato 298 is onderuit gezakt in een ligbox op een dik pak stro, een voorrecht dat zij geniet boven Vaarskalf die het doet met een bed van gerecycled plastic onder een vilten tapijt. Op de computer van de melkrobot kan ik zien dat zij zich om 13.38 uur heeft laten melken. Veertien liter gaf ze.

Henk-Jan is er niet. Vergaderen, zegt vader Wim, terwijl hij het stro aanveegt. Wat gebeurt er eigenlijk met Cato als ze uitgemolken is en naar de eeuwige weidevelden vertrekt?, vraag ik. Dan gaat ze naar de slager, zegt Wim. Net als Vaarskalf. Maar wel de biologische slager. Want verschil blijft er. Tot in de dood.

Meer over