Echt eigenzinnig

Echt mooi is de nieuwe glascollectie lampen en vazen van ontwerper Chris Kabel eigenlijk niet...

De karaf is grof afgewerkt en heeft een plompe vorm. De kleuren verschieten voortdurend; van mosterdgeel bij de hals tot zandgeel in het midden en dan weer bijna bruin op de dikke bodem.

Daarbij zijn ze stuk voor stuk ook nog eens veel te zwaar om echt praktisch te zijn. En een van de lampen, waarvan het handvat lijkt op de beugelfles van Grolsch (afbeelding 1), heeft een hobbelig oppervlak. Het glas ervan lijkt soms uitgezakt en zit vol kleine luchtbellen.

Toch hebben deze ruwe glazen gebruiksvoorwerpen een pure schoonheid. Ze zijn ontwapenend in hun eenvoud – geen dure materialen of sierlijke overbodige krullen die de aandacht afleiden. En dat deze glasproducten met de mond zijn geblazen, leidt geen twijfel. Neem alleen al de naam van de collectie: Bubblicious.

‘Dit glaswerk is een ode aan het lokale ambacht,’ vertelt Kabel, die zijn sculpturen liet blazen in een traditioneel glasfabriekje in Zaandam. ‘Ik wilde nu eens geen gelikt massaproduct maken. Die zijn er al genoeg.’ En: ‘Ik wilde laten zien hoe producten worden gemaakt.’ En zo kwam hij bij die ervaren Zaandamse glasblazer terecht. ‘De vazen en lampen van Bubblicious komen niet van de lopende band, ze zijn met de mond geblazen, inclusief verkleuringen, kleine luchtbellen en onverwachte oneffenheden. Zo’n product hoort ergens thuis. Het heeft als het ware roots.’

Met zijn ode aan het lokale ambacht lijkt Kabel een roepende in de woestijn. In de kleiner wordende wereld, en in tijden van economische groei, bepalen tijdschriften als Wallpaper en Elle Decoration hoe de lofts van New York, de studio’s van Londen en de grachtenpanden van Amsterdam eruitzien – de rijtjeshuizen in de Vinexwijken volgen dan vanzelf. Dus zullen ook die interieurs zich de komende jaren vullen met wulpse stoelen, blob-vormige banken, hightechlampen en tafels van gladde, glanzende materialen.

Smaakvol design, dat zeker. Kosmopolitisch ook. Maar vooral onpersoonlijk. En dat onpersoonlijke is nou juist iets waartegen steeds meer ontwerpers zich afzetten.

Kabel is niet de enige die het streek ambacht heeft herontdekt. Claudy Jongstra verovert de wereld met haar viltcreaties die ze volgens oude procédés vervaardigt in de stal van haar Friese boerderij. De wol wordt geleverd door haar eigen kudde schapen, die iets verderop graast.

Enkele tientallen kilometers van Jongstra’s boerderij steekt het aardewerkbedrijf Koninklijke Tichelaar Makkum al meer dan vierhonderd jaar de Fryske giele uit de drassige weilanden. Deze karakteristieke gele klei wordt door de ontwerpers Jurgen Bey en Studio Job (afbeelding 2 & 4) gebruikt voor hun keramiek.

Het Amsterdamse ontwerpduo Scholten & Baijings lanceerde begin dit jaar Plaids, een eigentijdse collectie grand foulards (afbeelding 3) vervaardigd bij de traditionele textielproducent De Ploeg. ‘En dat zie je er ook aan af’, zegt Carole Baijings. ‘Het is prachtige wol, met diepe kleuren – die kwaliteit krijg je echt niet uit Oost-Europa.’

De hang naar ambachtelijke couleur locale is niet alleen een reactie op het zielloze glossydesign. Volgens ontwerper Chris Kabel is zij onderdeel van een grotere maatschappelijke tendens: ‘De interesse in streekproducten en lokale ambachten zie je ook bij kleding, eten en andere alledaagse voorwerpen. Het moet allemaal eerlijk en vertrouwd zijn tegenwoordig.

Het liefst willen mensen ook nog weten waar iets precies vandaan komt, en wie het heeft gemaakt. Daarom is slow food zo in opkomst en daarom ook zie je steeds meer van die spiksplinternieuwe klokgevelhuisjes van rode baksteen.’

In het klakkeloos kopiëren van producten uit het verleden zijn de meeste ontwerpers niet geïnteresseerd. Juist onverwachte combinaties van traditionele ambachten en nieuwe materialen – of andersom – leveren spannende producten op.

Voor wolweverij MID in Deventer (‘Al sinds 1932 de makers van de rode loper op het bordes van Soestdijk’) ontwierp Scholten & Baijings acht unieke vloerkleden van restmateriaal (afbeelding 8) dat anders in de container zou zijn verdwenen. ‘We hebben de smalle stroken afvaltapijt aan elkaar geknoopt’, zegt Stefan Scholten. ‘Vervolgens hebben we met oude Chinese technieken reliëf geschoren in de tapijten.’ Het resultaat is een eigentijds karpet met een opvallend dessin. ‘Alleen maar de spullen van vroeger namaken is niet interessant. Dan krijg je net zoiets zielloos als een plastic stoel uit China.’

Niet dat spullen uit China per defi nitie zielloos zijn. Arnout Vissers, ooit een protégé van Droog Design, reisde anderhalf geleden af naar Jingdezhen, ‘het walhalla van de Chinese porseleinproductie’. Daar liet Visser Cool cups fabriceren, dubbelwandige kopjes waarvan de wanden met glazuur aan elkaar zijn gelijmd. Een ingewikkeld procédé dat Europese fabrikanten niet konden uitvoeren. ‘In China draaiden ze daarvoor zelfs in de kleinste werkplaatsen hun hand niet om. Onthutsend eigenlijk.’

Visser was een van de eerste ontwerpers die inzagen dat lokaal niet hetzelfde hoeft te zijn als om de hoek. Al jaren werkt hij samen met glasblazers uit Kenia en Tsjechië. ‘In Kenia gebruiken ze gewoon gesmolten vensterglas. Je ziet dat er op gezwoegd is en dat geeft ziel aan glas.’ In Tsjechië daarentegen is perfectie de norm. ‘Dan ga ik juist kijken of dat glas niet iets menselijker gemaakt kan worden.’

Lokale ambachtslui en fabriekjes zijn ook sneller bereid om een ontwerp in productie te nemen, zegt Stefan Scholten. ‘Een grote textielweverij zet de machines pas aan bij een order van kilometers stof. Maar voor De Ploeg is een paar honderd meter al interessant.’ En Arnout Visser:

‘Bij grote bedrijven ben je slechts een schakel in het geheel. Ruimte om te experimenteren met nieuwe productietechnieken is er niet. Een machine die een dag voor niets heeft gedraaid is een verliespost. Daarbij is ook lekker om de hitte van de stookoven je gezicht te voelen schroeien.’

Soms gebruiken ontwerpers lokale producenten voor een kritische boodschap. ‘Het Westen laat producten alleen maar in Azië maken vanwege de goedkope arbeidskrachten’, zegt Niels van Eijk, die een ontwerpduo vormt met Miriam van der Lubbe, ‘terwijl in productielanden als China en Indonesië unieke ambachten en productietechnieken bestaan die soms al generaties oud zijn. Als ze nog worden gebruikt, dan is het vaak voor het maken van prullaria.’

Dus ontwierpen Van Eijk en Van der Lubbe Godogan, een houten tafel met een ingenieus snijwerk dat een Indonesisch sprookje voorstelt. ‘We laten vier mannen een paar weken aan één tafel werken. In die tijd zouden ze anders een stapel lullige troep voor toeristen maken.’

In de meeste gevallen worden ontwerpers letterlijk in de handen van lokale ambachtslui gedreven. ‘Nog even en er zijn in Nederland helemaal geen glasblazers, keramisten en wolspinners meer’, zegt ontwerper Christien Meindertsma. ‘Maar kijk eens wat voor prachtige spullen ze maken; laten we daar in godsnaam zuinig op zijn. Want anders treedt er een enorme verschraling op. Dan hebben we allemaal hetzelfde vloerkleed liggen.’

Meindertsma reisde af naar Kirgizië, om daar de kneepjes van een speciale vilttechniek onder de knie te krijgen. Van die wol haakt ze poefs (afbeelding 5), die zijn voorzien van een ‘paspoort’ van de schapen die de wol leverden. Ras, kenmerken en zelfs waar ze graasden; het staat er allemaal in.

Een meer speels project is Meindertsma’s vloerkleed met woldraden van enkele centimeters dik, gebreid op breipennen van 2 meter. Het patroon van dit gebreide vloerkleed van ongeveer 2 bij 4 meter is afkomstig van de Aran-eilanden, voor de kust van Ierland. ‘Zo’n patroon luistert heel nauw. Vroeger konden vissers daaraan worden herkend als ze overboord waren geslagen. Zo’n vloerkleed krijgt een speciale poëtische laag als het met zo’n steek is gebreid.’

De ontwerpers zijn van harte welkom bij de kleinschalige, ambachtelijke bedrijven, die zich met eigenzinnige producten staande proberen te houden nu de productie steeds meer wordt verplaatst naar China of de lagelonenlanden in Oost-Europa.

Zoals het vierhonderd jaar oude aardewerkbedrijf Koninklijke Tichelaar in Makkum. Dat verkeerde begin jaren negentig in de problemen. ‘Er was amper nog vraag naar ons beschilderde zegt directeur Jan Tichelaar (negende generatie). Daarom gooide hij meteen na zijn aantreden halverwege de jaren negentig het roer om en strikte hij topontwerpers als Hella Jongerius (afbeelding 7) en Marcel Wanders (afbeelding 6). ‘Eigenlijk is zo’n samenwerking niet meer dan logisch’, zegt Tichelaar. ‘Onze handgemaakte producten zijn natuurlijk niet goedkoop. Daarom is er maar een select publiek voor; veelal hetzelfde publiek dat bereid is te betalen voor een uniek ontwerp van een topontwerper.’ Bijkomend voordeel, zegt Tichelaar, is dat deze ontwerpers het oudste familiebedrijf van Nederland bij de tijd houden. ‘Onlangs hebben we nota bene een halssieraad geproduceerd met modeontwerper Alexander van Slobbe. Binnenkort lanceren we voor het eerst een collectie gebruiksvoorwerpen van aardewerk, zoals lampen.’

Dat de producten van zulke kleine fabrieken, met kleine oplagen, duur zijn, ontkent Chris Kabel trouwens. ‘Een Bubblicious-lamp kost niet meer dan 600 euro. Voor dat geld heb je echt geen hippe designlamp van Marcel Wanders. En míjn glazen lamp is uniek.’

En dat is nou net de charme van de ambachtelijke streekproducten. ‘Het gevoel dat iets speciaal voor jou is gemaakt. Met de hand. En je weet ook nog waar en door wie.’

Meer over