Dijkstal verwijdert rem op loonstijging

Publieke organisaties worstelen met de salarissen van hun directies. Ze zouden graag meer willen betalen, om de beste managers te kunnen aantrekken, maar vrezen de verontwaardiging van het Nederlandse publiek....

Door Pieter Klok en Xander van Uffelen

Hoe hoog die verontwaardiging kan oplopen, bleek onlangs bij de Hartstichting. Honderden vrijwilligers kwamen in opstand toen ze ontdekten dat de medisch directeur bij dit 'goede doel' 170 duizend euro verdient. De Hartstichting nam vervolgens een hoogst ongebruikelijke stap: het salaris van de medisch directeur gaat omlaag - mits hij instemt. Het Rode Kruis koos er aanvankelijk voor het salaris geheim te houden, totdat ook deze organisatie afgelopen week bezweek onder publicitaire druk. Directeur Jan Post krijgt 158 duizend euro, zo bleek.

Is dat veel?

Het salaris van premier Balken ende is daarbij een veelgebruikte maatstaf. Wie bij de (semi-) overheid meer verdient dan de minister-president, kan rekenen op maatschappelijk ongenoegen. Het normatief salarisdak voor publieke functionarissen is daarmee automatisch vastgepind op het inkomen van Jan Peter Balkenende: 122 duizend euro.

In de praktijk houdt echter bijna niemand zich hieraan. De salarissen van topambtenaren zijn in de loop der jaren boven dat van de minister uitgegroeid. Om managers uit het bedrijfsleven te lokken werd het ambtenarensalaris opgehoogd met allerhande extra's. Inmiddels ontvangen 53 ambtenaren meer salaris dan Balkenende.

Directeuren van ziekenhuizen, woningcorporaties, toezichthouders, hogescholen en universiteiten kijken niet eens meer naar het salaris van de minister. De gemiddelde ziekenhuisdirecteur verdient al snel twee keer zoveel als Balkenende. Nout Wellink, directeur van De Nederlandsche Bank, krijgt ruim drie keer zoveel als zijn partijgenoot.

Een slechte zaak, vindt Hans Dijkstal, die in opdracht van het kabinet-Balkenende een advies uitbrengt over de beloning van de politieke en ambtelijke top. Hij wil de oude kerstboom in ere herstellen: de minister-president moet het meest verdienen van iedereen. Dijkstal adviseert het ministersalaris met 30 procent te verhogen. Managers in het publieke domein die dan nog steeds meer verdienen dan de minister-president, moeten salaris inleveren.

De salarisverhoging zou een breuk zijn met het verleden. Tot nu hield de overheid vast aan de 'norm van Tinbergen'. Deze norm schrijft een vaste verhouding voor tussen het salaris van de meest en de minst verdienende binnen een organisatie. De fameuze econoom Tinbergen vond dat de minister-president maximaal vijf keer zoveel mocht verdienen als de laagst betaalden. De overheid koos uiteindelijk een iets grotere verhouding, maar het principe van Tinbergen hield bijna dertig jaar stand. In het bedrijfsleven - waar de directeuren van AEX-bedrijven met gemak dertig keer het inkomen van hun ondergeschikte ontvangen - is de Tinbergennorm al lang geleden losgelaten.

Dijkstal zet er nu ook bij de overheid een streep door. Niet omdat te weinig Nederlanders minister willen worden bij de huidige salariëring. De status, macht en het maatschappelijk aanzien blijken voldoende om het lage salaris te compenseren - de ministerraad kent geen vacatures.

De reden dat Dijkstal toch de lonen wil verhogen, is dat de salarissen van topambtenaren de afgelopen jaren ook met zo'n 30 procent zijn gestegen. Ministers hebben recht op een inhaalslag, vindt Dijkstal.

Het kabinet blijkt vooralsnog niet van zins de aanbevelingen over te nemen. Het zou ook dodelijk zijn voor hun geloofwaardigheid; oproepen tot loonmatiging en zelf 30 procent meer incasseren, gaan moeilijk samen.

Een salarisverhoging zal bovendien leiden tot het befaamde haasje-over effect. Als de minister-president meer geld krijgt, ontvangt de directeur van het ziekenhuis, het goede doel of de woningbouwvereniging minder kritiek op zijn eigen salaris. Het drukkende effect op de salarissen van publieke organisaties dat een ministerssalaris nu nog heeft, zou daarmee definitief verdwijnen.

Meer over