Die sfeer, die zullen ze missen

Financieel hebben ze niks te klagen, de werknemers van de cokesfabriek in het Zeeuwse Sluiskil. Er is een mooi sociaal plan....

door Judith Koelemeijer

na de ontvangstkamer van Johan Martin hangen foto's van zijn voorgangers aan de muur. De opeenvolgende directeuren van de cokesfabriek in Sluiskil poseren trots, keurig in pak, voor enorme bergen cokes. Of doen gewichtig met zwarte bakeliet-telefoons. De foto's dateren uit een tijd dat niemand zich voor kan stellen dat de cokesfabriek er ooit niet zou zijn. De Association Cooperative Zélandaise de Carbonisation (ACZC), geopend in 1911, hóórt bij het dorpje Sluiskil in Zeeuws-Vlaanderen. De cokesbergen, de transportbanden die als een achtbaan over het bedrijf cirkelen, de stoomwolken: ze zijn, zegt directeur Martin zelf, 'een deel van het landschap geworden'.

De cokesfabriek is zo'n fabriek waar grootvaders, vaders en zonen werkten. Zeker 80 procent van de nu 282 werknemers woont nog steeds binnen een straal van tien kilometer. Ze nemen het pontje over het kanaal van Gent naar Terneuzen en zijn thuis, in Sluiskil. De meesten werken er al lang. Vraag het de mannen in de blauwe pakken met de zwarte gezichten en ze zeggen: 11 jaar, 19 jaar, 30 jaar. De fabriek was goed voor hen. Leuke verdiensten, aardige collega's. Waarom zou je weggaan?

Per 1 augustus moeten ze. De cokesfabriek gaat dicht. 'Een menselijk drama', zegt Martin in zijn kantoor met zware, donkere meubelen en droogbloemstukken die horen bij een andere, lang vervlogen tijd. Hij is moe. Legt het voor de zoveelste keer uit. Hoe begin jaren negentig Chinese cokes op de markt kwamen. Hoe de fabriek daar niet meer tegenop kan concurreren. 40 Procent goedkoper zijn 'de Chinezen'! 'Voor die prijs kunnen wij geeneens kolen kopen.'

Hij heeft alles geprobeerd. Gezocht naar nieuwe afzetmarkten, nieuwe producten, nieuwe aandeelhouders. 'Alles is mislukt.' Begin dit jaar zegden de twee aandeelhouders en belangrijkste afnemers van de fabriek, de staalbedrijven Sidmar (België) en Sollac (Frankrijk) het contract op. Op 22 maart heeft Martin zijn mannen bij elkaar geroepen. Hij vertelde hen dat alleen een wonder sluiting nog kon voorkomen. Dat hij zijn uiterste best zou doen, maar dat ze er toch rekening mee moesten houden dat. . . Het nieuws 'sloeg in als een bom', zegt Martin. 'Het was stil. Er vielen geen verwijten. Iedereen ging met lood in de schoenen weer aan het werk.'

Het wonder bleef uit. Eind deze maand wordt de productie stopgezet. Het afbouwen is al begonnen. 'Normaal is er veel meer bedrijvigheid', zegt chef mechanisch onderhoud Piet den Exter bijna verontschuldigend als hij het bezoek rondleidt. Hij moet er ook nog aan wennen. '38 Dienstjaren mevrouw.' De immense silo's aan het kanaal, waar de kolen uit Australië en Amerika worden aangevoerd, staan leeg. Eén oven is uitgezet. 'Die begint al te scheuren.'

De cokesovens zijn van 1959 en 1962. Zeker twee maanden duurde het voordat ze indertijd op temperatuur waren gestookt. 1250 graden Celsius precies, als ons dat wat zegt. Sindsdien braken ze cokes uit, dag en nacht, zonder ophouden.

De blauwe mannen gooien de kolen van bovenaf in één van de 110 compartimenten. Na tien minuten openen ze de deur, schuiven de gloeiende kolen met een machine naar buiten, laden de kolenplak in een treintje en rijden met gillende sirene - pas op, heet! - naar de blustoren, waar er water overheen wordt gestort. Imposante stoomwolken sissen omhoog.

De kolen zijn cokes geworden; brandstof voor de staalindustrie.

Mooi werk, zeggen de mannen. 'Je hebt hier geen Amerikaanse toestanden van alles voor mezelf en de rest kan stikken.' Die sfeer, die zullen ze missen. Financieel hebben ze voorlopig niks te klagen, er is een mooi sociaal plan. Het zijn die andere dingen. De cokesfabriek had een visclub, een kaartclub, en een computerclub. Er waren cursussen bloemschikken voor de echtgenotes, er werden reisjes voor de kinderen georganiseerd. Er waren feestavonden, sinterklaasvieringen en open dagen, waarvoor de oude stoommachine speciaal werd opgepoetst.

Voor die stoommachine heeft een museum belangstelling getoond. Wat er verder met het bedrijf zal gebeuren, is nog onduidelijk. De grond is vervuild, ontmanteling kost een godsvermogen. Waarschijnlijk zullen de karkassen van de fabriek nog jaren overeind staan; als stille getuigen van een industrie die voorgoed uit Nederland verdwijnt.

'Chinees doorgeefluik. . .', heeft een balorige werknemer in het zwarte stof op een raam geschreven. Wat er verder stond, valt niet meer te lezen. Geintje. Den Exter: 'De mannen hier zeggen dat ze nóóit meer naar de Chinees gaan.'

Meer over